Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook hij merkt op, dat zoowel aard als volgorde der optredende arhythmieën zeer uiteen kan loopen. Hij onderscheidt ze in de volgende groepen:

1°. Omkeei'ing der slagorde van voorkamer en kamer. Elke voorkamercontractie valt n.1. 0.08 tot 0.09 seconde na de voorafgegane kamersystole en 0.66 seconde vóór de volgende kamercontractie De oorzaak hiervan kan liggen of in een sterk verlangzaamde geleiding in den bundel van His, waardoor de tijd tusschen het begin der atriumcontractie en der kamersystole toeneemt van 0.07 tot 0.66 seconde; of men moet aannemen, dat de prikkel voor de hartscontractie in de kamer ontstaat, en in omgekeerde richting door den bundel van His loopt, zoodat de voorkamercontractie pas na de kamersystole komt. Cushny verklaart zich voor de laatste opvatting, op grond van het feit, dat veranderingen in frequentie van de kamer trouw door het atrium worden gevolgd.

2°. Verlangzaamde geleiding door den bundel van His en hartblok. Tweemaal zag Cushny totale dissociatie van kamer en voorkamer

3°. Zeer dikwijls ziet men veranderingen in de kracht der contracties Soms ontstaat pulsus alternans. Het verschil in hoogte tusschen de grootere en de kleinere polsen kan daarbij aanzienlijk zijn. Ook kan het voorkomen, dat de zwakkere systolen in het geheel geen polsgolf kunnen opwekken. De alternatie was soms ook aan de voorkamercontracties te zien. Als aanleidende oorzaak voor het optreden van pulsus alternans geeft Cushny plotselinge stijging van de frequentie op; soms zag hij het verschijnsel na een onregelmatigheid, b.v. na eenige extrasystolen

4°. Pulsus bigeminus treedt dikwijls op bij langzamen hartslag; zoowel in voorkamer als in kamer is de tweede

Sluiten