Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deel was aangespoord, ze zonder gunstigen uitslag ter zijde gesteld. J)

Zoo was de stand van zaken, toen ik mij in den winter van 1857 op 1858 met den keelspiegel begon bezig te houden, ten einde langs dezen weg eenige physiologisclie vragen op te lossen. Aanstonds Kwam ik echter op het denkbeeld om de eenvoudige methode van garcia daardoor te volmaken, dat ik den oogspiegel als reflector gebruikte, waardoor het mij gelukte, ook kunstlicht met goed gevolg te gebruiken en het onderzoek met den keelspiegel van zonlicht en weersgesteldheid onafhankelijk te maken. Door deze mijne methode, nu algemeen (ook bij den Heer türck zelf) in gebruik, en zonder welke de Laiyngoskopie een «doodgeboren kind« gebleven ware, verkreeg ik weldra de vaste overtuiging van de groote beteekenis die de keelspiegel als middel tot onderzoek bezit.

Aangezien ik nu, in weerwil van de ontmoedigende mij zeer wel bekende uitspraken der volgelingen van garcia, deze overtuigingtoen reeds openlijk uitsprak, en het gebruik van den keelspiegel

1) De volgende brief van Prof. beücke aan mij, ontslaat mij van alle verdere omschrijving. De rede waarom ik dien in de eerste uitgave geene plaats heb ingeruimd is, dat ik meende voor het wetenschappelijke Duitsche publiek geene zoodanige regtvaardiging te behoeven, na de mededeelingen die ik reeds in No. 1/ en 32 van het Wien. med. Wochenschrift jaargang 1859 had bekend gemaakt. Hij luidt aldus: (Zie Yirch. arch. Bd 22. „Ter verdediging.") Geachte vriend!

Ik verzeker u, dat ik toen Dr. tübck mij zijne eerste onderzoekingen met den keelspiegel had medegedeeld, hem later wel degelijk naar de vorde. ringen daarvan heb gevraagd en hem aangespoord heb ze niet op te geven. Of dat eens of tweemaal geschied is, kan ik mij nu, na zulk een langen tijd, niet meer herinneren. Ook kan ik het antwoord'van r. tubck met meer met juistheid wedergeven. Dit weet ik echter, dat het op mij den indruk maakte, als had tübck de zaak laten steken; stellig heeft hij mij geene verdere resultaten medegedeeld. Hoezeer ik het ook betreur, dat een strijd tusschen twee mannen, die ik eide evenzeer hoog acht nog voortduurt, zoo moet ik toch aan u als de aan. gevallen partij het regt geven van dit schrijven elk gebruik te maken, dat gijzult wenschen, ingeval gij dit tot uwe regtvaardiging mogt behoeven.

Weenen' Met bijzondere hoogachting de Uwe.

13 November 1859. E> bbücke.

4*

Sluiten