Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zelf geef echter aan mijn mondstuk, aangenomen dat alles zoo ligt mogelijk gemaakt is, reeds om die reden de voorkeur, wijl de verlichtingsspiegel met deze eenvoudigste en gemakkelijkste inrigting van alle, op het zekerst kan gerigt en bevestigd worden, wanneer nl. de schroefjes behoorlijk aangedraaid en de tanden vast op elkander geklemd worden.

Is de spiegel op de eene of andere wijze voor de oogen bevestigd, dan kan men door kleine bewegingen met het hoofd de verlichting volkomen regelen.

Ten einde eene zoo sterk mogelijke verlichting te verkrijgen moet men trachten den top of het naastbij gelegen stuk van den gereflecteerden stralenkegel op het deel te brengen, dat onderzocht moet worden. Dit verkrijgt men door den reflector op den vereischten afstand van de lichtbron en van den keelspiegel te brengen, een afstand dien men zeer spoedig leert vinden. De wetten van terugkaatsing in holle spiegels, vindt men in ieder handboek der physica opgegeven.

Zoo men geconcentreerd zonlicht gebruikt, zij men natuurlijk daarop bedacht, om den mond van den waargenomen persoon niet met het focus te branden.

Türck heeft eenige maanden later, toen hij op mijn voorbeeld ook tot kunstlicht zijne toevlugt nam, de zoogenaamde »Schusterkugeln» gebruikt (N°. 11), (Störk N°. 19), eindelijk echter is hij ook tot mijne methode van verlichting met den naar den oogspiegel van ruete vervaardigden hollen spiegel teruggekeerd, en heeft (N°. 20) een »naar den menschelijken arm vervaardigdem spiegelstandaard beschreven, die op een met lood opgevulden drievoet, of aan de leuning van een stoel, wordt bevestigd. Moura-bourouillou gebruikt in stede van holle spiegels tot het concentreren van het licht, biconvexe lensen, die reeds vroeger door störk voorgesteld, maar met regt als weinig doelmatig weder ter zijde gesteld waren.

§ 3. De verlichting door de huid heen.

In het voorjaar van 1858 heb ik eene nieuwe methode van onderzoek voor het strottenhoofd beschreven, wezenlijk verschillende van die van liston en garcia, waaraan ik (N°. 2.) den

Sluiten