Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Houdt hij dan voorts het doel wel voldoende in het oog? Beschouwt hij op een gegeven oogenblik de opgave terecht als volbracht, of vindt hij bij geval ook aanleiding over hetgeen hij gezien heeft door te praten en er een of andere bizarre opmerking of ideeënvluchtig betoog aan vast te knoopen?

En hoe is het tenslotte met zijn geheugen? Is hij eenigen tijd later in staat zich nog een en ander van de proef te herinneren, hetzij spontaan hetzij door vragen aangespoord? E11 in het laatste geval, toont hij zich dan voldoende bestand tegen suggestie of confabuleert hij er al spoedig lustig op los?

Men ziet dat inderdaad bij het bekijken van een prentje, hoe eenvoudig dat ook schijnt, al dadelijk de geheele psychische persoonlijkheid in het spel komt, zoodat het resultaat daai \ an onder invloed staat van allerlei omstandigheden; en hoewel die zich ook in een gewoon gesprek natuurlijk voortdurend doen gelden, wordt hun analyse bij deze methode juist door de welomschrevenlieid van de taak in hooge mate vergemakkelijkt.

Ik herinner hier bv. aan het onderzoek van Heilbronner bij een eclamptica1), waarbij zich langs dezen weg duidelijk liet aantoonen, dat een van de hoofdkenmerken van het ziektebeeld daar bestond in een stoornis van het combinatievermogen. Zoo ook aan dat van Bonhoeffer bij alkoholdeliranten2), waarbij voor den dag kwam, dat deze ook afbeeldingen van de meest alledaagsche voorwerpen soms zoo algeheel verkeerd opvatten, dat zelfs niet meer kan worden nagegaan waar de fout schuilt. In andere gevallen gelukt dat echter nog wel, en daarbij blijkt dan dat men bij deze verkeerde antwoorden drie verschillende

soorten kan onderscheiden.

Bij de eerste laat de patiënt zich blijkbaar misleiden door een uiterlijke gelijkenis; bv. als hij een korenaar „een denneappel" noemt.

Een andere maal lijkt het meer, of hij slechts een onderdeel heeft gezien, bv. als hij tegen een strijkijzer „handvat zegt.

1) Heilbronner, St-udien iiber eine éklamjttische Psychose. Monatsschrift für Psychiatrie vi. Neurologie, Bd. X\II, S. 441 ff.

n) Bonhoeffer, Die akuten Geiitexkrankheiten der Gewohnheitstrinlcer. Fischer, Jena 1901, S. 26 ff.

Sluiten