Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ding" is van de werkelijkheid, en deze zóó tracht weer te geven dat wij haar gemakkelijk eruit kunnen herkennen.

Een en ander speelt zich bij onze kinderen — zooals gezegd — reeds op zeer jeugdigen leeftijd af, zoodat zij al in het tweede levensjaar de eenvoudige prentjes uit hun eerste prentenboek opvallend goed weten thuis te brengen. Het is gebleken, dat dit in hoofdzaak berust op een herkennen van den omtrek (die zelfs niet eens volledig behoeft te zijn) en dat de licht verdeeling, kleur en grootte van het prentje er weinig toe doen1). Ook hebben verschillende onderzoekers er reeds op gewezen, hoe weinig aandacht zulke kleintjes nog hebben voor de ligging van de plaatjes. Telkens weer kan men opmerken, hoe zij het prentenboek, als zij dit toevallig eens verkeerd hebben opgeslagen, rustig het onderste boven gaan zitten bekijken, zonder dat dit hun schijnt te hinderen, of aan het herkennen van de prentjes afbreuk doet2).

Dit alles had betrekking op zeer eenvoudige afbeeldingen. Vraagt men thans hoe het staat met het begrijpen van een samengestelder tafereel, dan kan ik hier wijzen op de onderzoekingen van Rinet en Simon, Bobertag, Wiersma en vele anderen — zoo bv. laatstelijk nog weer van Nuysink 3) — die ons hebben geleerd, dat dit een stadium is, dat eerst veel latei wordt bereikt. Vooraf gaat een tijd, dat het kind slechts in staat is een opsomming te geven van hetgeen het ziet, zonder evenwel tusschen de verschillende onderdeelen nog verband te kunnen leggen. Later krijgen zij oog voor hetgeen er op de plaat gebeurt, zoodat zij daar een beschrijving van kunnen geven. Langzamerhand worden deze beschrijvingen dan al nauwkeuriger, bijzonderheden waar het op aan komt meer op den voorgrond geplaatst, en ontwikkelt zich het begrip voor de onder-

1) W. Stern, Die EntwieLcliing der Raumwahrne hmung in der ersten Kindheit. Zeitsclirift fiir angewandte Psychologie und psychologische Sammelforschung, 1909, S. 418.

2) W. Stern, Cel) er verlagerte Baur.iformen. Zeitschrift für angewandte Psychologie und psychologische Sammelforschung, 1909, S. 516.

3) Nuysink, Over de Binct-Simon'sche tests voor 12-jarigen (1908) en hunne waarde voor het intelligentie onderzoek van schoolgaande normale en achterlijke kinderen van 6—12 jaar. Proefschrift Utrecht, 1920.

Sluiten