Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geluid in de avonduren, voor de bij het zoemend rondzweven boven een bloem, voor de spin het web waarin zij zich verschuilt in een donkeren hoek van het vertrek enz. enz. Het wezenlijk kenmerkende valt dus niet alleen soms buiten de optische sfeer, waarin zich ons onderzoek beweegt, maar ligt bovendien soms meer in bijomstandigheden van tijd en ruimte, in de geheele „entourage", dan in het voorwerp zelf. M.a.w. ook de mensch neemt onder omstandigheden waar in complexen, die ver buiten de grenzen van het begripsbepalende bestanddeel uitgaan, zoodat dit laatste niet meer wordt herkend als men het uit die omgeving losmaakt.

Ik zeg, dit is niet zonder gewicht, omdat men wel eens gemeend heeft, dat dit waarnemen in complexen meer in het bijzonder eigen zou zijn aan de dieren, terwijl de mensch de dingen als zoodanig, geisoleerd, zou zien. Zoo zouden bv. bijen hun korf niet maar zoo dadelijk kunnen terugvinden, ook als men dezen slechts 1 Meter verplaatst, omdat zij hem niet afzonderlijk zich inprenten, maar samen met de geheele omgeving. Het gevolg daarvan is, dat zij eerst terugkomen op de plek waar hij vroeger stond, om vandaar eerst langzaam zoekend weer op het goede spoor te komen1). Daarnaast verzamelde Buytendijk 2) echter talrijke voorbeelden waaruit blijkt, dat zich „door oefening en voor zoover de aard van het voedsel, de nestbouw en andere levensfuncties dit meebrengen", bij dieren uit deze complexwaarnemingen een waarnemen van de dingen zelf, een vormwaarneming, kan ontwikkelen. De ervaring bij onze onontwikkelde desalieden opgedaan, overbrugt de kloof thans ook van de andere zijde; inderdaad schijnt er in dit opzicht tusschen mensch en dier geen principieel doch slechts een quantitatief verschil te bestaan.

Quantitatief echter naar twee richtingen. In de eerste plaats zóó, dat het inkrimpen der complexen tot op de dingen zelf bij den mensch veel verder gaat, omdat door zijn meer ont-

1) Vgl. Volkelt, TJéber die Vorstellungen der Tiere, Leipzig u. Berlin 1914; aangehaald door Buytendijk, Psychologie der dieren, Haarlem Erven Bohn, 1920, hoofdstuk IY.

2) T. a. p.

Sluiten