Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het feit dat kinderen — die de dingen, zooals bekend is, niet plegen te teekenen zooals zij die op een gegeven oogenblik zien, maar meer schematisch, naar hetgeen zij van die dingen weten en naar hetgeen er hun het meest aan is opgevallen — dieren (als honden, paarden, vogels e. d.) nagenoeg altijd afbeelden van ter zijde1). Daarom koos ik als eerste prentje een profielteekening van het in Indië algemeen verbreide rijstvogeltje. De uitkomst beantwoordde aan de verwachting, hoewel toch één man begon met te zeggen dat het een kip was2). Treffend is in dit verband de tegenstelling met het 2e en 3e prentje, waar men de dieren oogenschynlijk toch eveneens in een zeer typischen, hoewel niet in dien z.g. „orthoscopischen" stand ziet weergegeven, en waar dan ook aanstonds ongeveer de helft het juiste antwoord moest schuldig blijven (zie staat VI). In plaats daarvan kwamen er daarentegen weer vergissingen door een vage gelijkenis en associaties aan een of ander detail, zooals bv. de zwarte en witte vlekken die de menschen aan een geit, en de kwispelende staart die hen aan een slang herinnerden. Trouwens staat YII geeft daarvan nog talrijke andere voorbeelden.

Als het leven en de beweging en de gewone omgeving ontbreken, als de andere zintuigen zwijgen en men alleen is aangewezen op de optische verschijning en dan nog op verkleinde schaal en slechts in een zeer bepaalden stand, hoe „natuurlijk" de teekenaar dien ook gekozen meent te hebben, dan wordt de herkenning der dingen voor ongeoefenden dus blijkbaar zeer moeilik. Dat wjj ons dat nauwelijks meer kunnen indenken, komt omdat wij aan de bij ons gebruikelijke manier van afbeelden nu eenmaal van jongs af gewend zijn. Natuurlijk heeft dit systeem zijn zeer deugdelijke gronden. Het heeft inderdaad alles voor, de dingen weer te geven uit de richting waarin men ze gewoonlijk ziet; d.i. eenigszins van boven, omdat de groote meerderheid van onze gebruiksvoorwerpen zich —■ in verband met de plaats van onze handen ten opzichte van het hoofd — doorloopend op een niveau bevindt, een eindweegs beneden het horizontale blikveld. Voorts

1) Vgl. Bühler, t.a.p. § $ 22 en 23.

2) De gewone reactie was: „een vogel"; dat men ook de soort aangaf, bleef uitzondering.

Sluiten