is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de werking van alkaloïden op het oog, in verband met eenige eigenschappen van het kamervocht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der proeven in vitro genomen, met groote waarschijnlijkheid ook in vivo hun geldigheid behouden.

Thans zal worden nagegaan, wat de beteekenis hiervan is.

Vragen wij ons eerst af, of er waarnemingen zijn, die er op wijzen, dat het eene zout van een anaesthetieum sneller of gemakkelijker door het hoornvlies heendringt dan een ander.

Om deze vraag te beantwoorden zullen we ons kunnen oriënteeren bij verschillende schrijvers, zooals Marx en Wolff, die proeven deden, met betrekking tot de bepaling van de gevoeligheid van het hoornvlies1).

Het is niet de bedoeling hierbij de tamelijk omvangrijke litteratuur over dit onderwerp te bespreken, maar slechts de richting aan te duiden, waarin gezocht wordt naar een „beter anaesthetieum" dan cocaine.

We zien dan, dat verscheidene auteurs een verbetering in dien zin zoeken, dat ze zoo sterk mogelijk gehydrolyseerde zouten van het een of ander anaesthetieum trachten te gebruiken.

') E. Marx, Die Empfindlichkeit der menschliehen Hornhaut, Hirzel, Leipzig 1925.

E. Marx, Vett, Mendes da Costa, Naar en Wolff.

Neue Ersatzmittel für Kokain in der Augenheilkunde, Klin. Mon. BI. f. Augenh.k. 1928, Band 8, I. Oktober.

P. H. G. v. Gilse, E. Laqueuk, A. J. Steenhauer, L. K. Wolff.

De Cocaïne en hare vervangmiddelen als oppervlakteanaesthetica. Rijks-Instituut voor pharmaco-therapeutiseh onderzoek, Leiden, 1929.

Zie verder litteratuur in deze artikelen.