is toegevoegd aan uw favorieten.

Experimenteele akinesie van het oog in verband met de behandeling der netvliesloslating

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De curven, die aan deze experimenten zijn ontleend, hebben als uitgangspunt, den stand van de mondspleet 30° onder den horizontalen. Dit is de stand, die de physiologische zeer nabij komt en waarin de tonusverdeeling over de verschillende oogspieren vrijwel gelijk is. Dit is althans het geval, wanneer het dier zich vrij beweegt. Hier, bij het opgespannen konijn zal zeker een andere toestand heerschen, allereerst, omdat halsreflexen op de oogen inwerken, doordat de romp in het verlengde van den kop is gebracht.

Wat leeren ons de curven, die aan deze vier groepen van oogen zijn ontleend? (zie fig. 5).

Ie. De plaats, waar zich het maximum en minimum bevindt, ligt bij alle groepen nagenoeg op dezelfde plaats.

2e. Exstirpatie der mm. obliqui doet wel het verschil tusschen maximum en minimum verkleinen, maar heft geenszins de raddraaiing op. Een bedrag van ongeveer 60° blijft over van ongeveer 100°.

3e. Oogen, waaraan de mm. obliqui + verticaalmotoren (mm. rectus sup. en inf.) zijn geëxstirpeerd, geven ook nog een aanmerkelijke draaiing (ongeveer 30°).

4e. Worden ook nog de horizontaal-motoren (m. rectus ant. en post.) uitgeschakeld, dan blijft eenzelfde bedrag van ongeveer 30° nog over, dat op rekening van den m. retractor is te stellen.

5e. De horizontaalmotoren hebben bij de raddraaiïng een invloed, die niet noemenswaard is.

De bovengenoemde conclusies zijn gebaseerd op de gedachte, dat het achtergebleven gedeelte van de spier (een zoo groot mogelijk gedeelte werd geëxcideerd) geen invloed op de draaiing van het oog meer kan hebben.

Dit werd nog nader bevestigd door de anatomische controle, die ook histologisch werd verkregen, n.1. dat de rest van de geexstirpeerde spier géén insertie meer aan de bulbus-oppervlakte had gevonden.