is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de beteekenis van de accomodatie voor het monoculair dieptezien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als hulpmiddel gebruik kan maken (zie resumé-tabel II), kom ik tot de volgende conclusies :

De in proefreeks D onder XIII en in E onder XX, samengevatte waarnemingen zijn als controle-proeven op te vatten en komen geheel overeen met de waarnemingen in de proefreeksen A en B onder I en V [binoculair, (zie resumé-tabel I).] Wij vinden in de uitkomsten van de overeenkomstige waarnemingen dan ook slechts zeer geringe, waarschijnlijk individaeele, verschillen.

De passieve parallax is zoowel bij behouden accommodatie als na verlies van het accommodatievermogen voor den monoculus van waarde ; het verlies van accommodatievermogen laat zich bij behouden passieve parallax op korten afstand gelden [zie proefreeksen A en B (monoculair, resumé-tabel I) en proefreeksen D en E (tabellen XIV, XVII, XXI en XXIV van resumé-tabel II].

Wordt eene kortstondige beweging van het hoofd en dus gebruikmaken van de actieve parallax toegestaan (tabellen XV, XVIII, XXII en XXV), dan vinden wij door vergelijking met de overeenkomstige waarnemingen zonder hoofdbewegingen, dat hierbij de accommodatie op korten afstand van veel en de parallax van minder beteekenis is. Naarmate echter de afstand, waarop het voorwerp zich bevindt, grooter wordt, verandert deze verhouding en is b.v. op ioo c.M. afstand de invloed van de accommodatie niet meer merkbaar, daarentegen die der parallax veel grooter geworden.

Worden langduriger hoofdbewegingen toegestaan en daarmee gelegenheid gegeven om de waarnemingen nog eens te verifieeren en te corrigeeren, dan worden de fouten op alle afstanden veel geringer, maar blijven toch nog altijd drie- tot vijfmaal grooter dan bij binoculair zien zonder hoofdbeweging.