is toegevoegd aan uw favorieten.

Over hydrocephalus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immers reeds gezien hoe het myelencephalon bij zyn ontwikkeling in zijn voor- en zijkanten veel dikker wordt door de vorming van veel zenuwweefsel, maar hoe de achterkant juist dunner wordt, terwijl de centrale holte zich sterk verwijdt. Achter blijft alleen de epitheellaag over, die de holte afsluit en waar de pia buiten tegenaan ligt; die pia dringt door woekering in die epitheellaag in, stulpt deze voor zich uit en vormt zoo de plexus chorioideus ventriculi quarti. Het ontstaan van een myelocyste in deze buurt, zij het ook eigenlijk iets hooger, is dus de gewone gang van zaken; is het nu niet mogelijk, dat door bepaalde afwijkingen, veroorzaakt door de lager gelocaliseerde myelomeningocele hier secundair stoornissen optreden, welke tot deze abnormaliteit in de vorming van den vierden ventricel voeren?

Quincke vermeldt de aandoening ook, voornamelijk om op het groote gevaar te wijzen, dat in deze gevallen de lumbaalpunctie zou kunnen hebben. Naar mijne meening is dat gevaar hier, gezien de klinische feiten, niet erg groot. Eerder moet de suboccipitaalsteek groote gevaren hebben.

Anton en von Bramann spreken er ook nog even over en zeggen: bij vermeerdering van de vloeistofhoeveelheid in de kamers oefent deze een groote druk uit op de nabij gelegen hersendeelen; maar ook op grooteren afstand kan schade worden aangericht; en zoo is het een zeker feit, dat bij een waterhoofd de intracranieele drukstijging de kleine hersenen in het ruggegraatskanaal verplaatst (Chiari). Zij nemen dus aan, dat deze afwijking een gevolg is van het waterhoofd instede van juist de oorzaak te zijn.

Bij de bestudeering van dit onderwerp dringt zich natuurlijk al gauw de vraag op, hoe eigenlijk die spina bifida ontstaat met de verschillende afwijkingen van het merg, die er zoo dikwijls bij voorkomen; en hoe al die andere congenitale afwijkingen, die er naar alle waarschijnlijkheid genetisch verband mee houden, zooals de rachischisis en de encephalocelen in hun verschillende vormen, grootten en localisaties en dan weer de veel ergere schedelen hersenafwijkingen als anencephalie enz.; is het ook mogelijk uit de oorzaak van de spina bifida iets te leeren omtrent de oorzaak van de begeleidende hydrocephalus?

Een begin van antwoord wordt op de eerste vraag gegeven