is toegevoegd aan uw favorieten.

Over hydrocephalus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de weeke vliezen, üe hersenvliezen zelf zijn niet doorschijnend.

Na doorsnijden van de hersenen bleek dat de ventrieels zeer sterk uitgezet waren; ook de derde, waarvan de bodem zeer dun was en sterk uitpuilde. De vierde ventrieel echter was niet verwijd en op 1 cM. afstand van de opening naar den vierden ventricel was de aquaeductus nauwelijks als een speldeprik zichtbaar en dus zeer sterk vernauwd.

9. Lena K., 1928, is op haar 6de jaar op Rhijngeest opgenomen. Hen jaar geleden had zij volgens het bericht van haar huisarts encephalitis gehad; langzamerhand werd daarna het gezichtsvermogen veel minder en ontstond er een waterhoofd. Het patiëntje is het vijfde kind; de eerste vier zijn alle gezond.

Dit kind was tot haar 4de jaar ook geheel goed; toen kreeg het kinkhoest en is gevaccineerd tegen pokken; daarna is het nooit meer geheel goed geweest. Het werd huilerig en is nu een wezenloos schepseltje, dat niet meer met de oogen fixeert, maar deze elk afzonderlijk heen en weer beweegt. Waarschijnlijk merkt zij lichtinval nog wel. De sclerae zijn blauw.

Beiderzijds bestaat atrophie der papillen; zij zijn bleek en scherp begrensd, met dunne vaten. In het rechter oog is een witte vlek met pigmentomranding in de buurt van de macula, iets kleiner dan de papil, vermoedelijk een chorioiditische haard. De pupillen zijn niet geheel rond en reageeren niet of uiterst zwak.

Zij houdt de armen meestal gebogen en beweegt ze nauwelijks. Er bestaat wat weerstand tegen passieve bewegingen. De knieën zijn gebogen en de bovenbeenen hoog tegen den buik opgetrokken; bij pogingen een been te strekken geeft ze veel pijn aan. Er is ook een sterke adductorenspasme.

Het hoofd is groot; de grootste omtrek is 63 cM., de dist. bitemp. 10.8 cM. De groote uitzetting zit in het parietaledeel; de naden tusschen vele botten zijn opengebleven. Alle reacties op lues zijn negatief.

Voor een nauwkeurige diagnose wordt encephalographie verricht, nadat 400 cc. lucht in de ventricels is gebracht. De hersenkamers blijken daarbij reusachtig groot te zijn, zoodat de hersenschil nog slechts 1 cM. dik is. De lucht passeert ook door den aquaeductus en komt in den vierden ventricel en de cisterna magna, terwijl ook in het wervelkanaal lucht is te zien; maar de basale cisternen en de convexiteit worden niet bereikt. Het is dus een communiceerende vorm. (Zie foto's No. 66 en 67).

Ook is de in de kamers ingespoten kleurstof gemakkelijk na eenigen tijd door lumbaalpunctie weer verkrijgbaar.