is toegevoegd aan uw favorieten.

Over hydrocephalus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

operatie in twee tempo's. Op 8 Maart maakte ik een gioott lap door een boogvormige snede convex naar boven en met de eindpunten zijdelings in den nek. Een paar dagen daarna ging ik door. Een groot stuk van de squama oe ei pita lis werd weggenomen. De membrana atlanto-occipitalis was mooi vrij te prepareeren en zag er gespannen uit. De dura werd daarna zijdelings van de falx, welke nauwelijks aanwezig was, geopend; de sinus oceipitalis bleek zeer klein te zijn. Nu werd een duralap omlaag geslagen en de cerebellumhelften uit elkaar gehouden; aanvankelijk was er zoo goed als geen vocht, maar uit de onderste wondhoek kwam m eens veel liquor te voorschijn. In dit gebied leken veel vliezige membranen te zitten tusschen de cerebellumhelften en boven den vierden ventricel. Deze konden tusschen pincetten verscheuro worden, waarna de vierde ventricel met vocht er in voor ons lag De aquaeductus was mooi te zien en wijd open, zoodat een dikke sonde er gemakkelijk door te brengen was.

Na de operatie was de toestand vrij goed en de temperatuur was aanvankelijk normaal; het kind dronk ook goed. Isa 6 daCTen ging het in eens, eigenlijk zonder bepaalde reden snel achteruit; de fontanel zonk acuut sterk in en op 16 Maart, 6 dagen na de tweede operatie, stierf het.

Bij de obductie werd een serofibrineuse leptomemngitis aan basis en convexiteit der hersenen gevonden en anaemie der organen. De arachnoidea was aan de geheele neiscnoppervlakte te innig verbonden met de dura; wat troebel grijswit vocht zat in de subarachnoideale ruimte m de sulci; de venae waren heel dun en smal. Van een uitpuiling van weefsel in het ruggegraatskanaal was niets te_ vinden. Het cerebellum eindigde glad, en ook de plexus puilde niet naar beneden uit.

Hier moet dus een andere verklaring zijn voor het optreden van het waterhoofd. Hiervoor kunnen wij direct twee mogelijkheden opnoemen. In de eerste plaats wijst de aanwezigheid van lucht, zij het ook in een nog vrij dunne laag op de. hersenoppervlakte op een hydrocephalus externus, waarbij we dus waarschijnlijk defecten in het resorbtieapparaat moeten aannemen. In de tweede plaats is het mogelijk, dat de vele vliezige membranen, die zich om het achterhoofdsgat bevonden, den vochtstroom hinderden. (Arachnoiditis?). Het hersenpreparaat was niet terug te vinden.

17 M A H. was bij binnenkomst vier dagen oud. Zij was geboren met een spina bifida na een normale dracht, De ouders zijn woonwagenbewoners, waar verder weinig van bekend is.

Er was een groote myelomeningocele van 1) 8 tot U il- -ue schedelomtrek was 35 centimeter; de spanning m den schedel