is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding der geneesmiddelenleer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Phijs. werking. In de maag gebragt, lossen beide deze zouten, zich in de aanwezige vloeistof op, onder loslating van koolstofzuur. Het koolstofzuur oefent eene bedarende werking uit, terwijl de natrium, deels onveranderd, deels als melkzure natrium in het bloed opgenomen wordt. De vezelstof en het eiwit worden door hetzelve opgelost gehouden, het dient tot verzadiging van aanwezige zuren en welligt (liebig) als drager van het koolstofzuur in het bloed. In groote gifte genomen, vindt men het in de pis weder. De werking is verder dezelfde als in de vorige § opgegeven werd.

Geneesk. aanw.

Inwendig bij

a. Overtollige zuurvoortbrenging in de maag.

b. Algemeene weizucht als pisdrijvend middel.

c. Jicht en steenziekte.

d. Werkdadige ontstekingen.

e. Kropzeerige klierzwelling.

f. Ivrampbraking en misselijkheid.

g. Bloedsophoopingen als verkoelend oplossend middel.

Uitwendig bij slepende huiduitslagziekten.

Vorm en gifte.

In poeders, pillen of mixturen 5—20 gr. p. d.

Bereidingen.

Pulv. aërophorus P. N.

Sacchari albiss. et bicarb. natrici aa. unc. j. acid tartarici dr. ix M. F. pulv. D, S. coehlearculum p. d.

Potiuncula s. haustus Riverii.

Men neemt eerst een lepel van eene oplossing van 10 gr. 1 scrup. dubbel koolstofzure natrium in eene lepel water en onmiddelijk daarna een lepel van het succus citri of van eene oplossing van 5—10 gr. acid. tartaricum. Naardien men de eerstgenoemde met A, de laatstgenoemde met B teekent, noemt men het gezamenlijke voorschrift somtijds mixtura A. en B.

Sodawater.