is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding der geneesmiddelenleer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nat. eig. no. 244.

Bestandd. Vlugtigo olie, hars, extractiefstof, slijm, zetmeel, zouten, en volgens petkoz en kobinet kaneelsuiker, canelline.

Phys. werking, geneesk. aanw., vorm en gifte als die van de culilawanbast.

e. AVintersche bast, cortex Winterams s. Mageüanus.

Bot. afkomst. Van de Drimys Winteri of Wintera aromatica. XIII. 4. Magnoliaeeae, eenen boom welke in Patagonie, Chili en Brasiliën groeit.

Nat. eig. no. 239.

Bestandd. Scherpe vlugtige olie, hars, looizuur, zetmeel, verschillende zouten.

Phys. werking. Komt met die der kaneelsoorten overéén, doch is de winterschc bast meer scherp-prikkelend.

Geneeslc. aanw. Zeldzaam, alleen als bijvoegsel bij maagopwekkende bereidingen.

f. Melambobast, cartex meiambo s. malambo komt van do Drimys Granatensis of Wintera Granatensis en is slechts eene verscheidenheid van de vorige bast, zie verder § 267.

g. De alyxiabast, cortex alyxeae Reinwardti {Mal. Poelas ari).

Bot. afkomst. Van de Alyxia aromatica Reinwardti V. 2. Apocynicao, eenen boom, welke op Java en op de Moluksche eilanden groeit.

Nat. eig. Het zijn inééngerolde, ligt breekbare dunne stukken, zeer verschillende van lengte en breedte, welke inwendig lichtbruin, uitwendig aschgraauw van kleur zijn, de reuk is specerijachtig, de smaak niet onaangenaam bitter.

Bestandd. Vlugtige olie, hars, bittere extractiefstof, gom , zetmeel.

Phys. werking en geneesk. aanw. Geheel dezelfde als die der canclla alba en cortex Winteranus en zelfs ver boven deze beide te verkiezen (waitz).

Vorm en gifte. In poeder 5—8 gr. p. d.; in aftreksel 2— 4 drachm. op 8 ons coll.

Bereiding.

Tincture alyxiae Reinwardti (1 deel op 8 deelen spiritus vini), 10—20 dr. als windbrekend middel.

h. Kruidnagelschors of nage 1 cas s iabast, cortex cassiae caryophyllatae.

Bot. afkomst. Van de Persea caryophyllata s. Likaria Guianensis s. Ocotea

caryophyllacea s. Dicypellium caryophyllatum IX. 1. Laurineae, eenen boom, welke in Brasiliën groeit.

Nat. eig. Het zijn ronde pijpen, welke uitwendig glad, bruin, somwijlen met de witachtige opperhuid nog hier en daar bedekt zijn, de ondervlakte is glad en koffijkleurig, de bast zelve is hard, broos en op de breuk glad, de smaak brandend specerijachtig, de reuk naar die van kruidnagelen zwemende.

Bestandd. Vlugtige olie, hars , gom , zetmeel, looizuur , zouten.

Phys. werking, geneesk. aanw., vorm en gifte, even als die der kulilawanbast.

i. Kassiaknoppen of kaneelbloemen, flores cassiae s. clavelli cinnamomi.

Bot. afkomst. De gedroogde niet volledig ontwikkelde vruchtkelken v?.n dc