is toegevoegd aan uw favorieten.

Over gewenning aan vergiften

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die bij den mensch vèr overtreft. Een dergelijke hond reageerde op onder de huid gespoten arsenicum-verbindingen, van wier opneming in het bloed men dus zeker is, even sterk als normale dieren, zoodat van een immuniteit der gevoelige cellen niets bleek. In overeenstemming hiermee vond Cloëtta bij een aan arsenicum gewenden hond de hoeveelheid met de urine uitgescheiden arsenicum, die dus moest zijn geresorbeerd, hoe langer hoe kleiner worden, terwijl de hoeveelheid in de faeces toenam, zoodat hij tot de meening komt, dat bij de gewenning aan arsenicum een mindere opneming uit den darm de hoofdrol speelt. Men kan een analogon hiervan vinden in de immuniteit van sommige schimmels b.v. Penicillium glaucum, die nog groeien in sterke oplossingen van kopersulfaat (10°/0—20°/0), omdat hun celwand deze stof niet doorlaat, terwijl andere schimmels (Mucor mucedo) reeds bij een gehalte van 0.016°/0 kopersulfaat sterven. Al hebben latere onderzoekingen deze uitkomsten van Cloëtta niet in alle opzichten bevestigd, toch staat wel vast, dat de geringere resorptie een belangrijke rol speelt bij de arsenicumge wenning.

Ter verklaring van de gewenning aan morphine heeft Faust ons in 1900 belangrijke gegevens verschaft, die eerst nogal kritiek hebben uitgelokt, maar in den laatsten tijd weer zijn bevestigd. Hij kon honden aan ongeveer driemaal de voor normale dieren doodelijke hoeveelheid gewennen, en zag in zeker opzicht ook de bij den mensch zoo welbekende morphine-zucht optreden: tegen den gewonen tijd der inspuiting werd het dier onrustig, om onmiddellijk na de toediening te kalmeeren. Bij chronisch gebruik was hoe langer hoe minder van het vergift in de uitscheidingen terug te vinden, want terwijl in den beginne bijna drie vierde gedeelte in de ontlasting was aan te toonen, nam dit meer en meer af en ten slotte was noch uit de faeces, noch uit de urine iets terug te krijgen, en slechts weinig uit de andere organen. Hieruit mag men afleiden, dat het dier leert morphine sneller af te breken of om te zetten in verbindingen, die zich op de gewone wijze als morphine niet laten aantoonen.

Wanneer dit de eenige oorzaak van de gewenning was, zouden de verschillende hersencentra alle in gelijke mate minder sterk moeten gaan reageeren op de stijgende dosis. Dit is echter niet het geval; de prikkelbaarheid van sommige centra in de hersenen blijft even groot als bij het normale dier, die van andere centra daalt sterk. Dit dwingt ons om aan te nemen, dat behalve de door Faust gevonden snellere destructie ook een verandering van