is toegevoegd aan uw favorieten.

Veranderlijkheid in eenheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een geleidelijke omvorming in zulke gevallen uit ; Osborn stelt deze zelfs als afzonderlijk proces, zijn „speciation"', tegenover de verandering door plotselinge verschillen, dus door mutaties. Nu wij weten, dat ook mutaties zeer klein kunnen zijn, vervalt eigenlijk dit verschil, alleen stelt Osborn zich dan nog voor, dat zijne geleidelijke veranderingen alle aanpassingen zijn aan de omgeving, wat bij mutaties a priori niet het geval behoeft te zijn. Zeker is intusschen, dat ook bij verschillen tusschen geographische rassen een mendelende vererving is vastgesteld. Experimenteel zal het doen ontstaan van dergelijke vormen zeker zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn. Wanneer Bokodxn veronderstelt, dat sinds de ijstijdper ken van het pleistoceen, nu drie- tot tweehonderdduizend jaren geleden, gescheiden geraakte haringen der Kaspische, deiZwarte zee en van het Tscharchalmeer zich ontwikkeld hebben tot de afzonderlijke soorten, die nu deze zeeën bevolken, hoe zullen wij dan zulk een proces kunnen nabootsen. De natuur beschikt nu eenmaal over tijdperken, die ons vermogen verre te boven gaan. Het eenige, wat ons zou kunnen helpen, zou zijn, dat de veranderingen, hoewel over langen tijd verdeeld, toch dikwerf mindei geleidelijk zijn dan de bovengenoemde auteurs meenen ; en deze mogelijkheid moet ons ten slotte tot proefnemingen den moed geven.

Of deze veranderingen nu werkelijk, zooals Osborn meent, steeds aanpassingen zijn, zoodat inwerking der natuurkeus daarbij geen reden meer heeft, en of hierbij ook wijzigingen van het lichaam zelf, volgens Lamarck's principe erfelijk zouden kunnen geworden zijn, is een geheel andere vraag. Het heeft mij herhaaldelijk ge troffen, dat in medische kringen en in bijeenkomsten van anatomen de vererving der verworven eigenschappen meermalen als iets vanzelf sprekends wordt aanvaard, en ook meerdere zoölogen houden aan dezen zoo gemakkelijken evolutieweg vast. Zoo heeft nog onlangs de bekende palaeontoloog Abel hem als postulaat aanvaard. Intusschen is het maar goed, dat directe vererving der lichamelijk verworven eigenschappen geen vaststaande regel is, want lang niet alle reacties op invloeden van buiten zijn nuttigt aanpassingen. Meer van philosophische zijde — en daartegen ben ik altijd geneigd een zekere reserve te gevoelen, vooral wanneei zij mystisch getint is als die van Bergson — dan van biologische is het nuttige aanpassingsvermogen als een inhaerente eigenschap der organische wereld beschouwd. Trouwens, wat tegen de normaal voorkomende wisselingen in zijn omgeving niet bestand is, zou spoedig ten doode zijn opgeschreven, maar hoe betrekkelijk geiing