is toegevoegd aan uw favorieten.

De ziekten van hart en bloedvaten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarna echter hebben de zieken weer dezelfde onaangename gewaarwordingen, een vaag angstgevoel, matheid en moeheid; dikwijls klagen zij ook over zwaarte in de hartstreek, alsof zich daar ter plaatse een corpus alienum bevond. De ademhaling kan bemoeilijkt zijn (Atemsperre), zonder dat de patiënt nochtans gebrek aan zuurstof heeft. Talrijk zijn ook de klachten over paraesthesiën in de hartstreek, zelfs van de geheele linker borsthelft; somwijlen zelfs is de bedekkende huid zoo hyperaesthetisch, dat deze overgevoelige patiënten den druk van de gewone kleedingstukken en van het corset niet kunnen verdragen. Deze hyperaesthesie en hyperalgesie dienen streng te worden gescheiden van analoge initiaalsymptomen der echte angina pectoris (Mackenzie) *).

Als de subjectieve bezwaren hevig zijn, kunnen zij — alhoewel hun ontstaan reeds werd vergemakkelijkt door nerveuze stoornissen — aanleiding geven tot hartneurasthenie, tot harthypochondrie.

Bij de prognose dient de arts wel rekening te houden met de ervaring, die leert, dat de zwaarste vormen van nerveuze tachycardie en hartkloppingen buitengewoon hardnekkig'kunnen zijn en hierdoor een ondankbaar object voor de behandeling vormen.

Een lijder met een goed gecompenseerd klep vliesgebrek en een normaal geëquilibreerd zenuwstelsel is er dikwijls beter aan toe dan een neurasthenische lijder met louter nerveuze tachycardie. Lichtere gevallen zijn daarentegen dankbaar voor de therapie. Het dankbaarst plegen die patiënten te zijn, welke — bezwaard met de gedachte een hartkwaal te hebben — na onderzoek bevoorrecht blijken te zijn met een volkomen normaal hart en wier bezwaren dus van louter nerveuzen aard blijken te zijn (cardiophobie).

Of bij de zwaardere gevallen van nerveuze tachycardie op den duur geen organische veranderingen in de hartspier of in het hartzenuwstelsel kunnen ontstaan, dunkt ons een gerechtvaardigde vraag. Wij achten deze mogelijkheid in het geheel niet uitgesloten, wijl men in de latere phasen toch een enkele maal aantoonbare ver-

1) Mackenzie. Diseases of the lieart. 1918, blz. 65.