is toegevoegd aan uw favorieten.

De aanwending der electriciteit als geneesmiddel, met het oog op physiologie, diagnostiek en therapie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ult piszure ammonia en tripelphosphaten bestaan), of is hij poreus feoo als dat b. v. het geval is met steenen die uit phosphas am~ fciouiae et magnesiae zijn zamengesteld), zoo wordt hij al spoedig korrelig en scheiden zich de afzonderlijke deelen van een. De van den steen losgemaakte deelen blijven niet in de vloeistof opgelost, maar worden neergeslagen in den vorm van een fijn poeder, dat uit subphosphaten of piszure zouten bestaat.

Bonnet bragt bij zijne proefnemingen nu en dan eene wijziging aan in de zamenstelling der zoutoplossing die hij gebruikte; hij nam achtereenvolgens oplossingen van phosphas sodae, hydroehloras sodae, boras sodae en fiuorkalium, maar geen dezer zouten leverde even goede uitkomsten op als de nitras potassae. Lost men salpeter, in plaats van in water, op in urine van een gezond ïnensoh, zoo is zijne werking op steenen, die uit phosphaten bestaan, zwakker dan anders.

Dergelijke proefnemingen werden in het jaar 1853 door Bence Jones in het werk gesteld (on the dissolution of urinary caleuli m dilute saline fluids at the temperature of the body bij the aid °f electricity, Philosophical Transactions 1853 p. 231). Hij bevestigde bijna alle vroeger door Bonnet verkregene resultaten, doch bevond dat steenen, uit oxalas calcis bestaande, die volgens de bevinding van Bonnet onoplosbaar zouden zijn, ook konden borden opgelost, hoezeer dan ook slechts langzaam.

De eenige schrijver, die op levende menschen dergelijke proefnemingen heeft gedaan, is Melicher van Weenen (Die Effekte des Galvanismus auf Harnsteine, in de Oesterreichisehe Medicinische Jahrbiicher 1848 p. 153). Hij bediende zich van eene ^ o 11a'sche kolom van 100 elementen en van eene Bunsen'sche batterij van 30 elementen; met behulp van de stroomen dezer batterijen, zegt hij, aanvankelijk blaassteenen te hebben gedissolveerd, die hij in eenen bak met water gelegd had, later dergelijke steenen die hij in eene dierlijke blaas had gebragt, eindelik steenen, die zich nog in de blaas van levende menschen bevonden. Hij zegt een werktuig te hebben uitgedacht, waarmee de steenen gemakkelijk kunnen worden gevat, voor het geval daarin men ze aan de werking van galvanische stroomen wil