is toegevoegd aan uw favorieten.

De artikelen van het nieuwe Strafwetboek die voor de geneeskundigen meer bijzonder van belang zijn te achten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op grond dat het onmogelijk is het verband tusschen het strafbaar feit en den psychischen toestand des daders aan te toonen.

Tot een geheel andere conclusie kwam echter de Inspecteur der krankzinnigengestichten, Dr. J. N. Ramaer, in zijn zoo hoogst belangrijk geschrift: „Psychiatrische aanteekeningen op het Ontwerp van Wet tot vaststelling van een Wetboek van Strafregt,"'s Gravenhage 1880. Men zie ook de aankondiging hiervan in de Gids van November 1880 door Dr. Donkersloot, en in de Themis van October 1881 een artikel van Dr. Wellenbergh, 1ste geneesheer aan het gesticht voor krankzinnigen te Utrecht, getiteld: „Bewusteloos en Onbewust", waarin ten zeerste wordt betreurd dat de Minister voor den aandrang der Kamer is gezwicht en zijn oorspronkelijke redactie niet heeft gehandhaafd.

Yolgens de Memorie van Toelichting meende de Staatscommissie zoowel als de Regeering door het artikel, zooals het werd voorgesteld, den abnormalen toestand der geestvermogens te omschrijven, die de toerekenbaarheid van het feit aan den dader doet ontbreken. Tevens werd rekenschap gegeven waarom niet werd overgenomen de bepaling van art. 64 Code Pénal zooals in art. 71 van het Belgische Wetboek en de vroegere Ned. ontwerpen is geschied.

Dat art. 64 luidde:

„II n'y a ni crime ni délit lorsque le prévenu était en état de démence au temps de Taction, ou lorsqu'il a été contraint par une force a laquelle il n'a pu résister."

Deze bepaling heeft twee hoofdgebreken, welke door de thans voorgestelde redactie worden vermeden.

Vooreerst is de uitdrukking krankzinnigheid te beperkt. Welk verschil in de wetenschap der psychiatrie nog heersche over den zin dezer uitdrukking, een verschil reeds op zich zelf voldoende om het woord bij dit leerstuk te vermijden, zeker is het dat daardoor wordt aangeduid noch de toestand van bewusteloosheid uit welke oorzaak ook ontstaan, noch elke gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens, b. v. die welke het gevolg kan zijn van aangeboren doofstomheid of blindheid, noch elke, zelfs voorbijgaande, storing dier vermogens.

Ten andere verliest de C. P. geheel uit het oog het verband tusschen den abnormalen toestand der geestvermogens en het concrete feit. Al naarmate men nu de inwendige oorzaken van ontoerekenbaarheid ruimer opvat, is het ook te meer noodzakelijk rekening te houden met dat verband.