is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over graviditas tubo-uterina, naar aanleiding van een waargenomen geval

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd scheef in liet bekken beklemd, de placenta lag los naast den lials van liet voldragen kind, wiens geheele ligchaam tot aan den hals toe met een zeer dan naauw sluitend kanaal omgeven was, dit laatste was op twee plaatsen gescheurd en gevormd uit een klein gedeelte van den uterus en de linker tuba.

XII. Cliet deelt in 1817 een geval mede van een 23jarig meisje, dat voor de eerste maal, nu acht maanden zwanger zijnde, door braking en flaauwten overvallen werd, en zonder voorafgaande bekende oorzaak over snijdende buikpijnen klaagde: de pols was klein en zeer versneld; de buik scheen meer dan den zwangeren uterus te bevatten: bij exploratie kon men fluctuatie voelen. De ziekte-verschijnselen verergerden allengs, en maakten na eenige deliria een einde aan het leven der zwangere. Bij de lijkopening lag een foetus in de buikholte door gestold bloed bedekt, en dit verwijderd zijnde, kwam eene groote scheur in den fundus uteri te voorschijn, welke in eene holte uitkwam, die met de uterusholte geene gemeenschap had: — De geheele regter tuba Fallopii was gesloten. Het foetus was ongeveer S maanden oud en woog 2'/2 ® (').

XIII. Breschet vermeldt als eersten casus in zijne Mémoire (2) de volgende waarneming. Mevrouw B. ondervond alle lasten die eene zwangerschap kunnen vergezellen, toen zij plotseling den 10 Junij 1823, drie maanden zwanger zijnde, hevige braking kreeg, en kort daarop erge pijnen in het hypogastrium die zich tot het rectum uitbreidden; zij kreeg flaauwten en had liet gevoel van uitputting; in 't kort de bleekheid van het gelaat en van de lippen , de kleine pols en herhaalde flaauwten kondigden een groot gevaar aan. Men beval rust aan en schreef eene potio antispasmodica voor. De pijnen duurden den geheelen nacht en werden allengs erger: de buik eerst niet gevoelig bij drukking, werd later hierdoor bijzonder pijnlijk; de flaauwten werden menigvuldiger : de explorerende vinger ontdekte eene sterke ontwikkeling van den uterus zonder verwijding van het orificium. Er werden 20 bloedzuigers op den buik gezet en zitbaden voorgeschreven. Alle symptomen hielden zonder ophouden tot den volgenden morgen aan , toen de zieke te 9 uren overleed. — De diagnose van de geneeskundigen, waaronder bellehain en lautez, was: eene hevige inflammatie van het peritonaeum of ruptuur van een groot bloedvat in de buik- of bekken-holte. —Bij de opening van den buik ontdekte men eene aanzienlijke uitstorting van gestold en vloeibaar bloed in de bekkenholte: de uterus, ofschoon uitgezet, had de bekkenholte niet verlaten, en vertoonde eene scheur aan zijn fundus, eenigzins ter linker zijde; deze scheur had zich tot het peritonaeum en liet parenchyma van den uterus uitgebreid , schoon daardoor geene gemeenschap tussclien de buikholte en den uterus ontstond, zoo als men eerst meende: uit die scheur kwam een foetus te voorschijn nog in zijne vliezen gehuld. De uterus was vijf a zes duimen lang en vier breed , en had eene holte ter grootte van een kippenei, waarin BitEScnET, wien het praeparaat. teu onderzoek was afgestaan, veel slijm en de decidua vond. De dikte der uterus-wanden bedroeg zestien tot achttien lijnen; en was dus dit orgaan veel meer uitgezet dan in den niet zwangeren toestand. De ovaria waren gezond: de regter tuba was inde bovenste helft gesleten, de linker geheel geoblitereerd. — De holte, die liet foetus bevatte, was in de dikke substantie van den fundus uteri, boven de insertie-plaats der linker tuba; deze holte was met een vlies bekleed, dat te klein was om een klein kippenei te omvatten. De oneffene oppervlakte bevatte een groot aantal uterus-sinus, waarin zich cotyledones bevonden in den vorm van vaatbundels, als beginsels der placenta. Het tusschenschot, dat deze holte van die van den uterus afscheidde was een halven duim dik, maar de bovenste wand van den uterus, waarin de scheur zat, had slechts de dikte van twee lijnen. Het foetus met zijne vliezen was ongeveer drie duimen lang De buitenvlakte van het chorion had, in plaats van eene regelmatige placenta, cotyledones, die met het chorion door lange dunne stelen verbonden waren, even als de placenta der lierkaauwer's : eene dezer cotyledones zat

('} A. G. Cakds, diss. de gravid. ittio-vierina. Lipsiac, 1S11 , pag. 12. Zii. cit., png. 2.