is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over graviditas tubo-uterina, naar aanleiding van een waargenomen geval

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog aan een der uterine sinus vast, en verbond zoo liet ovum met de moeder. — Door eene duidelijke afbeelding (PI. I, fig. 1—4) wordt deze waarneming opgehelderd; — en ook door lobsteïn vermeld (').

XIV. Hierop volgt het geval van dance, dat ook door breschet wordt medegedeeld (2), nadat deze het praparaat ontleed had. Bij eene vrouw, die driemaal gekraamd had, ontstonden verschijnselen van hevige kolijkpijnen en bloedverlies. Hare menstruatie was drie malen weggebleven, en de arts geloofde na de exploratie, dat hier een door kunst verwekte abortus plaats had , ofschoon de vrouw ontkende zwanger te zijn, en haar spoedige dood een naauwkeurig onderzoek nopens den zwangcren toestand onmogelijk had gemaakt. — De uterus bleek bij de autopsie zeer hypertrophisch te zijn. Aan de regterzijde nabij de tuba zag men aan de buiten zijde eene uitpuiling van uterus weefsel, waarin van boven eene onregelmatige opening, die naar eene holte liep, waarin zich een embryo met zijne vliezen vertoonde. Tusschen den zak en de uterus-holte was een schot van drie lijnen dikte, dat door uterus-weefsel gevormd was. De grootc uitpuiling aan de regter zijde van den fundus uteri en de scheur hierin zijn op de plaat (PI. II, fig. 1, 2) naauwkeurig afgeteekend.

XV. Moulin verhaalt in 1825 het geval eener vrouw van 2ö jaren, die ééns normaal gekraamd , later twee malen abortus gehad had, en drie jaren later weder zwanger geworden, plotseling onder het dansen een gevoel van scheuring in de regio hypogastrica voelde en in flaauwte viel: — hierbij kwamen braking, beklemming , drukking in de borst en spoedige dood. Men geloofde, dat zij aan peritonitis leed en had haar als zoodanig behandeld. — Bij opening van het peritonaeum vloeide veel zuiver, dun bloed uit de buikholte. In de regio hypogastrica ontdekte men tusschen vele bloedklonters den uterus, die aan de linker bovenzijde gescheurd was, en in eene daar aanwezige holte van het parenchyma een foetus van 2 J/2 maand ongeveer bevatte, nog door vliezen en liquor amnios omgeven (?).

XVI. Yervolgens moet tot de voorbeelden van graviditas tubo-utcrina gebragt worden de vijfde observatie, die breschet vermeldt van een schrijver dien hij niet noemt, omdat deze het geval miskend had. Dit geval, ofschoon bij den eersten oogopslag tot uterus bicornis schijnende te behooren, wordt door breschet tot graviditas interstitialis gerekend. Het betrof eene primipara van 23 jaren, die 8 maanden zwanger zijnde, wegens misselijkheid, flaauwten, kleinen pols en pijnen in den buik, in het hospitaal werd opgenomen: — later kwamen hierbij koud zweet, bleek gelaat en alle verschijnsels van een nabijzijnden dood : — de nacht werd onder vreeselijke angsten doorgebragt, en na eenige deliria stierf de lijderes in den vroegen morgen. — Bij opening der buikholte vond men het kind , dat met de placenta en vele bloed-coagula er uitgenomen werd. De uterus was in den fundus gescheurd: dit orgaan bestond uit twee boven elkaar gelegene holten, zonder onderlinge gemeenschap: — de bovenste holte had het kind bevat; zij was driehoekig, met dunne wanden die de scheur vertoonden: — zij was van de onderste holte door een dik tussehenschot van een halven duim gescheiden.

XVII. De waarneming van auvity is door meniere beschreven (*). — Eene vrouw van 21 jaren , die eenmaal gebaard had, was op nieuw zwanger en voelde plotseling eene zoo lievige pijn in de regio hypogastrica, dat zij flaauw ter neder viel: brakingen, koude van het geheele ligchaam waren de voorafgaande verschijnsels van den dood. — Bij de lijkopening zag men het kleine bekken vol bloed; ook de ingewanden der buikholte waren door bloedklonters van elkander gescheiden. Aan den uterus was op de insertie-plaats der linker tuba een kegelvormige tumor, in wiens midden eene gescheurde opening wasEr bestond geene gemeenschap tusschen dezen tumor en den uterus, want een tusschenschot van 4—5 lijnen

('j Lobsteïn, Compte rendu & la faculté de Méd. ïi S/raszlourg, 1823, pag. 26.

(2) Bkeschet, lib. cit. pag. 10.

(3) Miiszner, Torschungen des XIX Jahrh. im Geliete der Gelurtsk, 1833, IV, pag. 87. (*) Archives générales de Médtcine 1826. Juin, pag. 217.