is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandeling over graviditas tubo-uterina, naar aanleiding van een waargenomen geval

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van duidelijk uitgemaakte tubaire zwangerschap verzamelen ('), ofschoon czihack in 1824 haar aantal reeds op 100 begrootte (2).

De verdeeling van de graviditas extra-uterina in 9 soorten , door dezeimeris voorgesteld vond alleen bij cazeaux. en braun en gedeeltelijk bij iiohl ingang. De meesten , zooals busch , kilian , rokitansky , naegele , virchow , ed. von siebold , spiegelberg en warrington namen vier soorten aan : gr. ovaria, tubaria, tubo-uterina en abdominalis. —• Enkelen, zooals velpeau, tiiomson, pouchet, maijer, krause en hecker verwerpen de ovaria als strijdig met de wetenschap; lioewel deze soort van zwangerschap weder in kiwisch (3), JAcquEMiER, kölliker en hein (4) hare verdedigers heeft (5).

Clarke , merriman , campbell en maijer ontkennen de gr. abdominalis; en josephi en deutscii gelooven dat de secundaria de meest voorkomende is.

De verdeeling van rosshirt, de wees en scanzoni, in drie soorten, als ovaria, tubaria en abdominalis, waarbij de tubo-uterina als onderafdeeling der tubaria beschouwd wordt, geloof ik de meest wetenschappelijke te zijn: want bij de graviditas tubo - uterina ontwikkelt zich immers het ovulum in de tuba; wel is waar, in dat gedeelte waar dit kanaal door de uterus-substantie omgeven is, maar het blijft toch altijd door de tuba omsloten, die zich uitzet tegelijk met de haar omringende uterus-spiervezels. Dewijl de vorm van den uterus hierdoor veranderd wordt en de zwangerschap eene geheel andere gedaante verkrijgt, n. 1., door die ongeveer hoornachtigs uitpuiling van den fundus uteri, en met ruptuur van dat uitgezette uterusgedeelte eindigt, naardien het hier ingeslotene zwangere tuba-einde barst, verdient zij een bijzonderen naam, en als bijzondere onderafdeeling vermeld te worden. —De naam van gr. tubo-uterina is meer wetenschappelijk, en drukt beter de zitplaats uit dan die van interstitialis, zooals velpeau, kilian en anderen haar op het voetspoor van meijer genoemd hebben. Granville betitelde haar gestatio intra muros uteri (G); en ramsbotham stelde voor haar graviditas parietalis te noemen: beaun (') noemt haar in navolging van dezeimeris, graviditas tubo-uterina interstitialis, — terwijl beiden onder graviditas tubo - uterina die soort verstaan, waarbij liet ovulum na eenige ontwikkeling in de tuba langzamerhand in het cavum uteri komt. Beter zoude m. i. hiervoor passen de benaming van beiise, graviditas uterina abnormalis, wanneer men haar kon aannemen; dat evenwel, naar ik geloof, wegens anatomische gronden niet geoorloofd is, aangezien bij het orificium tubae uterinum een sphincter gevonden wordt, zooals hennig (8) heeft aangetoond , die zonder twijfel den voortgang van een eenigzins ontwikkeld ovum uit de holte der tuba in die

van den uterus verhindert.

Mijns inziens moet de zwangerschap in een rudimentairen uterus - hoorn, die door rokitansky en

(!) Mono.1scTir.fiir Gehurtsk. XIII, pag. 97.

(2) Czihack , diss. de gravid. extraut. 1824 , pag. 12.

(3) Kiwiscii, mcdedeeling eener graviditas ovarialis met voldragen foetus, die 12 jaren geduurd had in Verhandl. der Mei. Gesellsch. in Wurzburg 1850. I pag. 7.

(4) Yjkchow en Keinhabdt, Archiv,fur Fath. Anat. und Phjsiol. 1848. I. pag. 19.

(5) Zeer duidelijke en fraaije afbeeldingen van gevallen van graviditas ovaria vindt men in de volgende dissertatiën: F. T. susewind, diss.de gravid. ovaria. Berolini 1820. C. l. bahts, diss. de gravid. ovaria. Berolini 1828. J. a. gotthakdt, diss. de gravid. extrautenna. Berolini 1829. Ook door dr. 3. a. hein is een belangrijk geval van ovariale zwangerschap beschreven en afgebeeld m viechow 's Arehivfürpaih. Anat. II. pag. 513. Eene naauwkeurige waarneming van waltkr is medegedeeld in Monatschr. fur Geburtsk. XVIII. pag. 171. En adolph neustadt heeft een casus vermeld in Trager Med. Woehenschr. 1864, No. 19.

(e; Campbell , lib. cd. pag. 17.

(') ÜEAL'N, opus cii. pag. 552.

(8; C. hennig. jDer Katarrh. der innern weibl. Geschtcchlsorg. 1862, pag. 7.