is toegevoegd aan uw favorieten.

Afstammings- en mutatie-leer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men meende haar waargenomen te hebben; met welk recht kon men haar bestaan dan aannemen, waar men nooit iets van haar gezien had? Door deze en dergelijke beschouwingen werden de oogen geopend voor de vraag: Toegegeven dat de natuur kiest, wat is dan eigenlijk het materiaal waaruit zij kiest? Bestaat het werkelijk uit geleidelijke veranderingen, of is het soms evenzoo gevormd als in NILSSON'S granen, uit talrijke typen, die elk standvastig en zonder overgangen van elkander gescheiden zijn?

Gelukkig was er een voldoende ervaring aanwezig om deze vraag te beantwoorden en het antwoord viel overal in den laatstgenoemden zin uit. Maar juist daarom, dus omdat die ervaringen met de heerschende beschouwingswijze in strijd waren, had men ze vroeger nooit tot hun volle recht laten komen. Omstreeks het midden der vorige eeuw had in Frankrijk de plantkundige JORDAN de variabiliteit der wilde planten aan een uitvoerig onderzoek onderworpen. Op onze graanvelden groeien wilde viooltjes met allerlei kleuren, allerlei vormen van bloemen en bladeren, en allerlei wijzen van vertakking. Zij vormen een prachtig voorbeeld der zoogenaamde variabiliteit. JORDAN verzamelde zulke vormen in den omtrek van Lyon, zaaide van elke plant het zaad afzonderlijk en kreeg van elk een eigen, maar hoogst eenvormig ras. De schijnbare veranderlijkheid loste zich dus in een rijke verscheidenheid op. Hij onderzocht honderden van andere soorten, maar steeds met hetzelfde resultaat. Overal is, wat men variabiliteit noemt een mengsel van min of meer talrijke en min of meer van elkander verschillende, maar elk eenvormige en constante typen. Hem volgden vele andere schrijvers, en in den laatsten tijd met name WlTTROCK te Stockholm, die de wilde viooltjes van Zweden op dexelfde wijze bestudeerde. Al deze onderzoekingen leeren met volle duidelijkheid dat de natuur overal over een zelfde materiaal van vormen beschikt ten behoeve harer keuze en ten behoeve van de aanpassing van hare kinderen aan de telkens veranderende levensomstandigheden.

Wij komen uit al deze ervaringen tot de gevolgtrekking, dat de natuurkeus wel de groote leidster is, die de ontwikkeling van het planten- en dierenrijk in bepaalde lijnen doet voortgaan, maar dat zij met de vraag, hoe het materiaal voor hare werking ontstaat, niets te maken heeft. Eigenlijk