is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der inwendige ziekten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Recidieven worden soms opgewekt door een trauma. Bij kinderen komt de ziekte veel meer voor dan bij volwassenen ; de appendix van het kind is n.1. langer en bewegelijker (waardoor gemakkelijker stuwing optreedt) en bovendien rijker aan lymphoïed weefsel, wat eveneens het optreden van ontsteking begunstigt.

Na het 40e jaar is de aandoening veel zeldzamer, daar de appendix omstreeks dien tijd begint te oblitereeren, terwijl de ziekte ook in de eerste levensjaren weinig voorkomt, omdat de appendix dan nog betrekkelijk wijd is.

Verschijnselen. De ziekte begint meestal plotseling met een aanval van pijn in de rechter fossa iliaca, waar men al spoedig bij het onderzoek tevens pijn bij druk, spierspanning, verlaagde buikreflexen, overgevoeligheid van de huid en zwelling vindt.

Vaak bestaan in het begin ook koorts, misselijkheid, braken, verstopping (niet zelden echter ook diarrhee) en lichte collapsverschijnselen.

De pijn is bij den allereersten aanval (die heel vaak over het hoofd gezien wordt) bijna nooit heftig. Ze wordt vaak aanvankelijk door den geheelen buik gevoeld en beperkt zich dan eerst den volgenden dag tot de fossa iliaca; ze verergert soms bij het loopen en in andere gevallen bij het urineeren (afhankelijk van de ligging van den appendix) en kan naar den rug of naar boven uitstralen. Ze is meestal niet gelijkmatig, maar wordt met tusschenpoozen erger.

De pijn bij druk wordt gewoonlijk gevonden op de z.g. plaats van Mac Burney (midden tusschen navel en rechter spina iliaca ant. sup.) of de plaats van Lanz (grens tusschen rechter en middelste derde deel der interspinaallijn).

De zwelling is vaak eerst na éen of twee dagen voelbaar; ze is meestal niet scherp begrensd en bestaat voor het grootste deel uit het gezwollen net, dat zich als een beschuttend omhulsel om het zieke orgaan legt.

Afloop. In verreweg de meeste (80—90%) gevallen verminderen de verschijnselen na enkele dagen om na eenige weken klinisch geheel te verdwijnen, zoodat de toestand in lichte gevallen weer nagenoeg normaal wordt; zelfs groote gezwellen kunnen in dien tijd geheel teruggaan.