is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der inwendige ziekten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

166. Progressieve pernicieuze bloedarmoede.

De oorzaak dezer zeldzame ziekte is onbekend; ze komt het meest voor tusschen het 25e en 40e jaar.

De verschijnselen zijn in het algemeen dezelfde als bij een ernstige secundaire bloedarmoede. Ze nemen geleidelijk toe en bereiken een enorm hoogen graad; de huid en de slijmvliezen zijn wasachtig bleek, terwijl de patiënten zóo zwak zijn, dat ze het bed niet meer verlaten en slechts zacht en langzaam spreken kunnen.

In sommige gevallen bestaan stoornissen van het C. Z. S., die aan tabes dorsalis herinneren en het ziektebeeld geheel beheerschen.

De temperatuur is vaak verhoogd.

De tong is dikwijls rood en glad; aan het mondslijmvlies komen niet zelden aphthen voor.

De milt is soms licht gezwollen.

De beenderen, vooral het borstbeen en het scheenbeen, zijn vaak pijnlijk bij druk.

De urine is meestal donker en bevat altijd veel urobiline en vaak ook veel indikan, ureum en urinezuur.

In het begintijdperk bestaat meestal matige diarrhee (2 — 4 brijige ontlastingen per dag), die al aanwezig is vóór de verschijnselen van bloedarmoede.

Het bloed vertoont een heel sterke vermindering van het getal roode bloedlichaampjes, waarvan soms meer dan 90 % te gronde gaan; vaak vindt men kernhoudende en ongewoon gevormde roode bloedlichaampjes (megaloblasten, micro-, macro- en poikilocyten).

Het haemoglobinegehalte neemt naar verhouding minder sterk af, zoodat de kleurindex grooter dan 1 is.

De stolbaarheid van het bloed is verminderd; het S. G. is laag.

De vernietiging der roode bloedlichaampjes heeft waarschijnlijk plaats in de milt, in elk geval niet in de bloedbaan, daar het bloedserum geen vrij haemoglobine bevat. Het vrijgekomen haemoglobine wordt in de lever of al in de milt (Hijmans van den Bergh) omgezet in ijzervrij bilirubine, dat grootendeels overgaat in het bloed en voor een ander deel