is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der inwendige ziekten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind drinkt heel langzaam en maakt 3 —5 keer zooveel zuig- als slikbewegingen, terwijl er niet zooals anders melkdruppels bij de mondhoeken afvloeien; het is meestal zoet, vertoont geen teekenen van ongenoegen, huilt weinig en niet krachtig genoeg, slaapt diep en is suf.

De temperatuur is gewoonlijk lager dan normaal; bij hongerende pasgeborenen treedt den 2en of 5en dag na de geboorte soms echter koorts op (inanitiekoorts).

Men vindt vaak een langzamen pols (normaal 120, in den slaap geteld), een bleeke huidskleur, een bijna verdwenen onderhuidsche vetlaag, verminderden turgor, een vlakken, soms zelfs wat ingezonken buik, ingetrokken fontanellen, dunne, slecht ontwikkelde spieren, een mager gezicht, spitsen kin en te groot lijkenden mond.

De ontlasting is meestal traag: 1 — 2 keer per dag of maar ééns in de 2 of 3 dagen; ze is hard en donker tot zwart toe. Wanneer er 2 — 3 keer daags ontlasting komt, is de hoeveelheid heel gering; ze is dan meestal ook dun, slijmerig en bronsgroen van kleur.

De luiers zijn bijna altijd droog.

De zogklier der voedster wordt door het slechte drinken onvoldoende geprikkeld, zoodat zogstuwing kan optreden.

De diagnose kan met zekerheid gesteld worden door het kind geregeld vóór en na de borst te wegen; bijna altijd blijkt het dan slechts ongeveer de helft of nog minder te drinken of in te houden van de benoodigde hoeveelheid.

De prophylaxe bestaat hoofdzakelijk in geregeld wegen van het kind, controle der hoeveelheid voedsel en zorg voor voldoende ontlediging der borst.

Wat de behandeling betreft, kan men in lichte gevallen, waarbij het gewicht nog iets toeneemt, aanvankelijk afwachten of de zogafscheiding door den zuigprikkel nog zal vermeerderen.

Wanneer dit niet het geval is, laat men alle 3 uren beide borsten geven (elke borst 7—10 minuten) en vult zoo noodig bovendien na eiken borstmaaltijd het tekort aan met bijvoeding. Als zoodanig geeft men bij voorkeur verdunde koemelk (40—80 gr. half melk half water, event. met 1% meel) of karnemelk met 1,5% meel en 3—4,5% suiker.

Kinderen boven Va jaar geeft men niet langer dan 6 weken