is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der physica en meteorologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water slechts 1000 wigtjes weegt, en het specifiek gewigt der

1848

vitriool-olie is derhalve — 1,848.

Niet altijd hebben wij de vloeistoffen, die wij aan dit onderzoek moeten onderwerpen, in zulk eene hoeveelheid voorhanden, om daarmede een zoo groot vat als het pas beschrevene te vullen; en bovendien is er zelfs geen voordeel in, om zulke hoeveelheden te bezigen, omdat haar gewigt voor eene goede balans te zwaar is. Het is daarom doelmatig, kleinere vaten aan te wenden. De glazen, die men tot dit einde Fig. 3. vervaardigt, hebben gewoonlijk de nevens¬

gaande gedaante ïg. ó) en zijn met eenen niet gladden glazen stop gesloten. De kubieke inhoud derzelve bedraagt 8-—20 kubieke duimen. De glazen stop is uit een stuk van eene thermometer-buis vervaardigd, opdat een gedeelte van het vocht, bij verwarming, zich naar buiten kunne begeven, dewijl anders of de stop uit het vat zou gedrukt worden, of het vat springen.

Ter bepaling van het specifieke gewigt van vaste ligchamen, kan men uit deze een ligchaam van eene regelmatige gedaante, b. v. eenen teerling, eenen kogel enz., vormen, zoodat de kubieke inhoud van het te onderzoeken stuk gemakkelijk te berekenen is. Het absolute gewigt dezer ligchamen vindt men door middel van de balans, het gewigt van een gelijk volumen water is door het bekende volumen der ligchamen bepaald. Een teerling van marmer b. v. wege 21,6 wigtjes. Indien nu iedere zijde van den teerling 2 duimen bedraagt, dan is zijn kubieke inhoud 8 kubieke duimen; een even groote teerling van water zal dus 8 wigtjes wegen, bij gevolg is het specifiek gewigt van

21,6 _ _

het marmer = 2,7.

O

Een kogel van droog beukenhout wege 25,79 wigtjes. Indien de diameter van dezen kogel 4 duim bedraagt, kan men daaruit den kubieken inhoud berekenen, en zal dien = 33,49 kubieke duimen vinden. Een even groote kogel van water weegt dus 33,49 wigtjes, en het specifieke gewigt van beukenhout is

diensvolgens = 0,77.

Van iedere zelfstandigheid bezit men echter niet zulke groote massa's, om daaruit zoodanige regelmatige ligchamen te kunnen vormen, en bovendien is het uiterst moeijelijk, ja bijna onmogelijk, om regelmatige ligchamen met zulk eene naauwkeurigheid als hierbij noodzakelijk is, te vervaardigen. Wij moeten daarom naar andere methoden omzien, ter bepaling des soortelijken gewigts van vaste ligchamen. De meeste dezer methoden berusten op hydrostatische wetten, die wij eerst later zullen leeren