is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der physica en meteorologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ligchamen het naar zijne proeven berekende gewigt aan, dat er vereischt wordt om eene staaf van een te scheuren, wier dwarsclie diameter 1 vierkante Ned. duim bedraagt.

Lindenhout 918 Ned. ponden.

Vurenhout 1021 ,, „

Dennenhout 601 tot 929 „ „

Eikenhout 1150 tot 1466 „ „

Beukenhout 1349 tot 1586 „ ,,

Ebbenhout 934 „ „

Koperdraad 2782 „ ,,

Geel koperdraad 3550 „ „

Gouddraad 4645 „ „

Looddraad . - 272 „ ,,

Tindraad 457 „ „

Zilverdraad 3411 „ „

IJzerdraad 4182 „ ,,

Wit glas 142 tot 233 ,, „

Henniptouwen 350 tot 620 „ ,,

Het groote verschil in de vastheid der henniptouwen wordt veroorzaakt door de ongelijke gesteldheid van de stof waaruit zij vervaardigd zijn. Dunne touwen zijn naar evenredigheid sterker dan dikke, dewijl zij uit betere liennip vervaardigd zijn; door sterk draaijen der afzonderlijke draden wordt het draagvermogen der touwen aanmerkelijk verminderd. Natte touwen bezitten minder vastheid dan drooge.

Bij praktisch gebruik zal men wel doen om, ter wille van de zekerheid, voor de metalen slechts j, bij hout slechts j van de door de proeven gevondene vastheid in rekening te brengen.

De kracht, waarmede een ligchaam het verbreken wederstaat, noemt men deszelfs betrekkelijke vastheid. Om een ligchaam te breken moet de kracht regthoèkig in de rigting der lengte as aangebragt zijn; het te breken ligchaam is of slechts aan een of wel aan heide einden ondersteund.

In Fig. 51 is een prismatisch ligchaam voorgesteld, hetwelk

met zijn eene uitemue in eenen vasten wand steekt, terwijl aan het andere einde het gewigt Q, bestemd om het te verbreken, is aangebragt. Wanneer wij de volstrekte vastheid, d. i. de krachtwaarmede het ligchaam eene in de rigting zijner lengte as werkende kracht weerstaat, door K voorstellen, dan kunnen wij ons deze kracht vereenigd denken in het zwaartepunt s van die dwarsche doorsnede, welke met het vlak van den vasten wand zamentrefït. De kracht Q poogt nu het gelieele ligchaam

Fig. 51.