is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der physica en meteorologie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lichtstralen, welke op het oog vallen, komen of op het voorste gedeelte der sclerotica, het wit van het oog, en worden onregelmatig naar alle zijden verstrooid, of zij dringen door het hoornvlies in het oog; de buitenste der door het hoornvlies ingetreden stralen vallen op de iris, en worden naar alle zijclen heen onregelmatig verspreid, waardoor de kleur van het regenboogvlies zigtbaar wordt. De centrale stralen eindelijk vallen door de pupil op de kristallins, door welke zij naar de zijde der retina worden gebroken, en wel zoodanig, dat de van eenig punt van een uitwendig voorwerp afkomstige stralen, die door de pupil heen gaan, op eén punt van het netvlies weder vereenigd worden. Op deze wijze ontstaat er op het netvlies een beeld van de voor het oog aanwezige voorwerpen. In Fig. 295 is b. v. m het beeld van het punt l, m' het beeld van l'.

Door proefneming met een eenigzins groot oog van eenig dier, b. v. van eenen os of een paard, kan men zich gemakkelijk overtuigen, dat er op het netvlies werkelijk een klein omgekeerd beeld van de voor het oog aanwezige voorwerpen ontstaat. Men behoeft zoodanig oog slechts van boven met voorzigtigheid te openen, om door het glasvocht heen op het netvlies te kunnen zien; ingeval hel oog gerigt is op een helder verlicht voorwerp, b. v. op een venster, dan ziet men op het netvlies duidelijk een klein omgekeerd beeldje daarvan. liet gemakkelijkste kan men dit beeldje aantoonen bij witgekleurde dieren, b. v. bij witte konijntjes, bij welke de zwarte kleurstof van het adervlies ontbreekt, terwijl te gelijker tijd het achterste gedeelte der sclerotica doorzigtig is. Op zoodanige wijze kan men, zonder verdere praeparatie, de netvlies-beelden aantoonen.

Duidelijk zien op verschillende afstanden. 1V66dS vroeger hebben | ^(j wij gezien, dat het beeld eener lins van plaats verandert, wanneer het voorwerp meer of minder nabij dezelve gebragt wordt; dat het beeld namelijk des te verder van het glas verwijderd wordt, hoe nader het voorwerp daarbij komt. Naardien nu het oog volkomen als eene lins werkt, aangezien wij immers de voorwerpen slechts dan scherp kunnen zien, wanneer de vereenigingspunten der gebrokene stralen juist op het netvlies vallen, en er daardoor een duidelijk beeld op het netvlies ontstaat, zou men meenen, dat wij slechts op eenen bepaalden afstand de voorwerpen duidelijk zouden kunnen zien; doch de ondervinding leert evenwel het tegendeel, want een gezond oog kan al de voorwerpen duidejijk zien, welke op meer dan 8 duimen afstands zijn, en derhalve moet het oog natuurlijk het vermogen bezitten, om zich naar de verschillende afstanden te schikken, te accommoderen.

Door eene zeer eenvoudige proef kan men dit ook bewijzen: Op eene doorzigtige glazen plaat make men eene zwarte vlek, en houde dan de plaat op eenen afstand van 10 a 12 duim van het oog, dan kan men naar willekeur de vlek, of, door