Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plotselijk , zonder dat het gelaat van -de zieke vooraf zulks aankondigt. De maag ontlast zich zonder inspanning , met een of twee oprispingen, liet uitgebraakte is altijd eene ruil-gele of geel-groene, dunne vloeistof, in welke witte vlokke drijven en die altijd zeer zuur riekt. Onmiddelijk na het braken zien de zieken opgeruimd rond om zich heen , en hebben het voorkomen, als ontwaakten zij uit een' droom. Een paar minuten later worden zij evenwel meer afgemat, laten het hoofd op de borst zinken, klagen, sluiten vervolgens de oogen ten halve en verkeeren •voor eenen korten tijd in eenen naar flaauwte gelijkenden toestand, uit welken zij evenwel gemakkelijk kunnen opgewekt worden. De ademhaling is nu eens langzamer dan weder sneller, echter nooit, zelf wanneer de kinderen slapen, diep of steunende , en de adem is koeler dan gewoonlijk. Somwijlen doet er zich een ligt en kort hoestje voor, hetwelk echter nooit aanhoudend is. Ten laatste zwellen de voeten en oogleden waterzuchtig op , er ontstaat facies hippocratica, de adem en polsslag maken tusschenpoozen, en de dood volgt of zeer rustig, of er 'ontstaan kort voor den dood aanvallen van kramp (nagel).

Tot de sterkst sprekende verschijnselen behooren : de doorloop , het braken, de onleschbare groole dorst, de vermagering en verdooving. De doorloop ontbreekt slechts zelden geheel en al ; dikwijls echter vermindert dezelve eenigzins voor den dood, of houdt kort voor denzei ven geheel op. Ilij hangt, volgens cruveilhiek , van de prikkeling af, welke de peristaltische beweging van den spierrok , de uitzweeting en afscheiding op het slijmvlies, de afscheiding van de lever en zonder twijfel ook van de buikspeetsel-klieren vermeerdert. Door derzelver scherpte worden somwijlen de aars en nabij gelegene deelen ontveld. Het iraken ontbreekt zelden geheel en al. Cruveilhiek heeft evenwel eenige gevallen medegedeeld, bij welke het niet waargenomen werd ; ook robbers {Rusfs Mag as. Bd. XXX. Hft. I. S. -JU) en thaer , {CaspeiCs tVochenschr. J833) zagen kinderen aan tnaagverweeking sterven , zonder dat zij ook slechts éénmaal braakten. Het voornaamste en eigendommelijk kenmerk is, volgens de meeste artsen, de groote onleschbare dorst; het kind volgt met de oogen en drinknap, brengt hem met gretigheid aan zijne lippen, houdt hem met zijne kleine handen vastgeklemd , en laat niet los voor dat hij geheel geledigd is. Yolgens cruveilhier berust deze bovenmatige dorst op e toevloeijing van scherpe sappen naar het darmkanaal, en op de zeet aanmerkelijke uitzweeting van hetzelve, welke in geene evenreding met de opslorping staat. Blasius (Bust's Magaz. XXFII.

ft. o) wil noch den onleschbaren dorst , noch het braken als bestendige verschijnselen laten gelden, daar hij beide in twee gevallen niet heeft waargenomen ; daarentegen hecht hij groote waarde op de bijzondere verandenng van de gelaatsuitdrukking en de vuile bleekheid , welke het gelaat bij buikziekten gewoonlijk aanneemt. Opvallend is de zeer snel toeemende vermagering, welke met den duur der ziekte en de plaats

Sluiten