Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1) Ascaris lumbricoides, spoelworm» Bij deze Wor» men vindt men een uitwendig bekleedsel, spieren, een darmkanaal en geslachtswerktuigen ; men gelooft ook sporen Tan een zenuwstelsel en toestel voor den bloedomloop ontdekt te hebben. De verterings- en ge* slachtswerktuigen worden door eene vetacbtige vochtigheid omgeven, welke door de wanden der, dezelve bevattende holten wordt afgescheiden. Terstond onder de huid vormt het spierstelsel een omkleedsel voor het geheele dier; hetzelve bestaat uit twee lagen van vezelen, ringvormige en langwerpige, welke zich even als de spierrok van het darmkanaal der zoogdieren veordoet. Het darmkanaal heeft geene kronkelingen, hetzelve is regt en iets korter dan het geheele dier; men herkent hetzelve aan zijne, door de meestal in hetzelve bevatte stoffen voortgebragte bruine kleur. Het begint met eenen mond, welke met drie knobbels, twee van onderen en een van boven, bezet is; dusdanige knobbels vindt men bij geen anderen ingewands-worm. Inwendig is de mond met kleine, misschien organen van afscheiding daarstellende kiemen bekleed. Dezelve gaat in eene buis met dikke wanden, tot het spijskanaal over; deze wordt in eene eenigzins wijdere ontvangen, welke als de maag kan beschouwd worden ; van hier gaat eenen dunneren darm tot bijna aan de opening van het tegenovergestelde einde van den worm uit, alwaar dezelve zich naar buiten opent. Aan de uitwendige zijde van het darmkanaal hangt eene menigte draden, welke op eenigen afstand tot zakjes opzwellen , en wier aard en nut onbekend is. Het toestel der voortteeling vult voor het grootst gedeelte het ligchaam van den worm. Men onderscheidt reeds talrijke witte draden door de huid, en wanneer deze en de spierlaag weggesneden is, bemerkt men dat deze draden in groot getal om het darmkanaal geslingerd zijn, dat zij echter een verschillend Toorkomen naar gelang van het geslacht des worms hebben. Het mannelijk voortteelings-toestel bestaat in een mannelijk lid , een zaadbehouder en een bal. Het lid ligt digt bij den aars en staat of naar buiten uit , of is teruggetrokken. Het gaat in eenen regte, met dikke wanden voorziene buis over, welke men als een vas deferens of een zaadblaasje kan beschouwen; hierop volgt eene andere, veel dunnere, veelvuldig gewondene buis, welke in een' los in de buik hangenden zak eindigt, en eene duidelijke overeenkomst met den bal aantoont, ofschoon het afscheidingsorgaan hier alleen uit eene enkele huid-oppervlakte bestaat. Het vrouwelijk voortteelingstoestel biedt uitwendig, op dezelfde zijde, waar de aars is, en wel daar, waar het eerste in het tweede derde deel van den worm overgaat , eene sleuf aan, welke zich door eene duidelijke schede in eene volkomen gevormde baarmoeder opent. Deze laatste verdeelt zich weldra in twee lange hoornen, welke, na talrijke kronkelingen , in den zak eindigen , van welke ieder een eijernest vormt, welke wederom, even als de bal, slechts eene huidoppervlakte daarstelt.

Jules cloqüei [Anatomie des vers intcstinavx. Paris J'824) bemerkt, dat de twee witachtige strepen , van welke men de een op de buik- ,

Sluiten