Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«leze opgezwollen klieren cene groote overeenkomst met den navelachtigen vorm der pokkenpuist aanbiedt. In liet strottenhoofd en de luchtpijp willen meerdere artsen echte pokkenpuisten gevonden hebben. Andral {Palhol. Jnat. Th. II. S. 278) maakt de opmerking hierbij, dateveneens als de ziekelijk ontwikkelde slijmklieren, folliculi ntucosi, van het darmkanaal, welke men voor pokken heeft aangezien, terwijl naauwkeurigere onderzoekingen dezelve alleen op het slijmvlies van de mond- en keelholte aangetroffen hebben , ook de slijmklieren Tan de luchtpijp hypcrtrophisch kunnen worden , en dat deze meer dan gewoonlijk ontwikkelde slijmklieren , veeltijds als het voortbrengsel der pokken gehouden geworden zijn. Volgens cazenave en schedel (^. a. pl. S. J6J) heeft na den dood de opperhuid nog hare natuurlijke dikte, laat gemakkelijk los en toont dan eene witachtige, gladde, aan de randen verhevene, en aan het middenpunt ingedrukte vlakte. Deze behoort aan eene navelvormige , meer of min dikke schijf van witte zelfstandigheid , welke als het voortbrengsel van uitzweeting moet beschouwd worden. Dezelve neemt de plaats van de malpighische slijm in, en is voornamelijk met het middelpunt , waar dezelve het dunste is, vast aan de liuid gehecht. Onder deze schijf is de oppervlakte van de leerhuid meer of min sterk rood en dikwijls met etterachtige stof bedekt, somwijlen ontbreekt deze uitzweeting in de puist der pok , welke dan zelden de vorm van een navel heeft. Volgens petzboldt (f. a. pl. S. 53) levert het onderzoek het volgende op: opent men de pok , zoo laat zich de daarin bevindende vloeistof niet geheel en al wegwasschen , maar is eveneens als tusschen de vaatjes gevat. Met het gewapende oog ontdekt men op den bodem van de pok eene of meerdere uitlozingsbuizen der huidklieren , hetgeen echter van die der handpalmen en voetzolen niet geldt. Onder iedere pok, welke een indruksel heeft, liggen een of meerdere huidklieren, welke opgezwollen zijn, en door de, van daar tot de opperhuid in de hoogte gaande uitlozingsbuis, wordt het indruksel in de puist zoo lang gevormd, tot dat gene doorbreekt of door ettering verwoest wordt, "ij de, op inwendige deelen ontstaande pokken , wordt het epithelium zeer verweekt en zoo ligt scheurbaar, dat men weldra geene puisten , maar slechts kleine groefjes opmerkt, welke zich op de tong als kleine ronde of langwerpige holten , waarbij eenige tepeltjes in de hoogte gedrukt schijnen te zijn , en in het keelgat als het ware verscheuringen van het epithelium , met daaronder zich bevindende ontvellingen van het slijmvlies, daarstellen, terwijl men in de luchtpijp en luchtpijpstakken, wier epithelium. minder ligt te scheuren is , niet alleen op de plaats waar puisten zitten, maar overal onder hetzelve eene van het ontstokene slijmvlies afgescheidene stof vindt , zoodat zich het geheele epithelium gemakkelijk laat aftrekken.

Veelvuldige andere weefselontaardingen, welke men in de lijken gevonden heeft, b. v. ontsteking en koudvuur van inwendige organen, verzameling van wei in alle holten , enz. komen op rekening van de zamenstelliirg of volgziekten.

Sluiten