Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan zich zelve overgelaten gaat de ziekte vroeger of later, na weken ef maanden , in het, door eene opmerkelijke verandering gekenteekende tweede tijdperk over. Het zieke been wordt langer, het geheele lid mager en slapper, de bil vlakker, de door dezelve gevormde plooi wordt dieper en de trochanter major komt meer uit- en inwendig te staan , dan aan het gezonde been. Even zoo staat de voet van het lijdende deel buitenwaarts. Al deze veranderingen laten zich bij een naauwkeurig onderzoek en betasting van den zieke van alle zijden en in iedere houding opmerken. Men ziet , bij deszelfs zoo veel mogelijk opgerigte houding en gelijkmatig nevens elkander op eenen vasten , effen bodem vlakgeplaatste voetzolen, dat de knie van het lijdende been ongeveer 1—2 duimen, zelfs wel eene handbreedte, voorbij de knie van het gezonde been uitsteekt, en bij horizontale, uitgestrekte ligging op den rug, ep eene gelijke vlakte den trochanter major, de knieschijf en den inwendigen enkel van het scheenbeen lager liggen , dan aan het gezonde been. De poging om het lid binnenwaarts te draaijen , veroorzaakt, wegens de spanning van de pees van den triceps femoris , hevige pijn. YY elligt heeft geen punt in de geschiedenis van genoemd lijden tot meer woordenstrijd aanleiding gegeven , dan de verklaring , hoe de verlenging van het been tot stand komt. Terwijl eenigen de wezenlijke verlenging van het been in twijfel trekken , beweren anderen wederom bepaald derzelver bestaan. De aanhangers van de laatste meening stellen de oorzaak der verlenging, öf in eene uitzetting van het hoofd van het dijbeen , öf in eene andere stof, welke het lid naar beneden dringt. Diegenen , welke de wezenlijke verlenging betwijfelen, zeggen, dat de schijnbare verlenging van de veranderde ligging van het bekken afhangt, daar de kam van het eene darmbeen zich onder de horizontale lijn van het andere bevindt. In den laatsten tijd hebben meerdere artsen, namelijk weber {müller's Arch. f. .4nat. u. Phys. J836 Hft. I), lauer (Hamb. Zeitschr. f. d. ges. Med. Bd. II. Hft. 3 J836) gaedicken (in hetzelfde werk Bd. VI. Hft. I) en werxher (scaMiDfs Jahrb. Bd. XII. S. 99) meerdere belangrijke opmerkingen ter verklaring van deze kwaal medegedeeld.

Somwijlen vindt men het lijdende deel korter dan het gezonde, zonder dat het lijden in het derde tijdperk is overgegaan. Deze omstandigheid is, zoowel ten opzigte der diagnosis als prognosis, van groot gewigt. In zulke gevallen wordt het hoofd van het dijbeen waarschijnlijk tot den bovensten rand van het acetabidum getrokken. Rüst neemt aan, dat eene verkorting van het lid , voor dat het tweede tijdperk reeds voorbij is, voornamelijk dan plaats kan hebben, wanneer de aandoening van het gewrichtshoofd niet als caries centralis, maar als caries peripherica en voornamelijk van het kraakbeen uitgaande, zich kenteekent. Nooit is de verkorting in dit geval zoo aanmerkelijk en de vrije beweging wordt nooit zoo zeer in iedere rigting verhinderd, als in het derde tijdperk van het lijden. De verkorting

Sluiten