Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan den romp. In deze houding -volhardt de zieke dag en nacht, zich angstig met de handen ondersteunende, daar reeds de minste beproeving, om deze houding te veranderen, van de hevigste pijnen vergezeld gaat.

De teekenen van de, reeds in het tweede tijdperk aangevangene , organische verwoesting en van eene algeheele veimindeide levenski acht, nemen meer en meer toe ; koorts en vermagering worden steeds duidelijker. De opgezette bil zwelt sterker op; de meer of min over het geheele bovenbeen uitgebreide, in den omtrek van het heupgewricht voornamelijk gespannene , glinsterende , met loodkleuiige vlekken en roode strepen bedekte zwelling, laat eindelijk vochtgolving waarnemen en kenteekent, met het doorbreken, het begin van het vierde tijd perk. Hetzelve brengt, na eene kortstondige vermindering van alle pijnlijke toevallen, door gedurig verlies van sappen en vermeerdering van dë teringkoorts , vroeger of later , onder steeds toenemend veilres van krachten en uitputting, in de meeste gevallen den dood aan. Somwijlen overwint evenwel de natuur de kwaal, en de reddeloos schijnende zieken genezen; de afgestorvene deelen worden opgeslurpt of afgestooten , de ettering vermindert , met de sluiting van de eene wond na de andere, houden de verschijnselen van de teringkoorts op , de pijn in de knie wordt steeds zeldzamer en nieuwe organische weefsels en vereenigingen doen anchylosis van het verkorte en gebogen been, of eene onzekere vereeniging van het ontwrichte beenhoofd met het os innoïninttturn ontstaan (rust's Handb. d. Chir. t. a. pl).

De meeste schrijvers hebben de namen coxalgia en coxarthrocace als van gelijke beteekenis aangemerkt. Fricke (Annal. d. Chir. Abthlg. des Hamb. Krankh. Bd. II.) maakt evenwel onderscheid tusschen coxalgia en coxarthrocace , en beschrijft de eerste als eene ziekte van het een of ander been, waarbij de prikkelbaarheid van enkele spieren van het dijbeen zoo verminderd is , dat dezelve min of meer aan de willekeur onttrokken worden, waardoor eene moeijelijke beweging van de aangedane ledematen en eene verslapping der niet spierachtige deelen , welke het bijbeen aan het bekken bevestigen , ontstaat. Door de atonia van sommige spieren , worden de niet aangetaste genoodzaakt, om alleen het been te dragen en te bewegen, daarvan dan ziekelijke spanning en pijn in dezelve, en, als verder gevolg, hinken. Bij de coxalgia zoude, volgens fricke , behalve eene schijnbare verlenging van het zieke been , welke II duim kan bedragen, ook eene wezenlijke verlenging voorkomen, welke slechts 4 — 6 lijnen bedraagt, wier ontstaan fricke door de, bij zijne coxalgia aangenomene atonia der dijbeenspieren, welke het bijbeen niet meer kunnen dragen , verklaart. Het dij beenhoofd zakt dien ten gevolge, door de zwaarte van het lid getrokken , zoo ver uit de gewrichtsholte , als het ligam. capsulare en het hgam. teres zulks toelaten. Daardoor ontstaat nu de vermelde verlenging van 4 — 6 lijnen van het zieke deel. Dit zoude, volgens fricke, de eenigste wijze zijn, op welke de verlenging van het lid zonder ettering kan ontstaan; nooit

Sluiten