Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maanden kleven het vaat- en het lamsvlies aan elkander vast, doch laten na de geboorte echter gemakkelijk los.

Het lamsvlies bevat het door dit afgescheiden vruchtwater, een nagenoeg helder vocht van licht geelgroene kleur, waarin de vrucht drijft. Zijn taak bestaat daaruit, om door spanning der baarmoeder en der eivliezen eene zoo vrij mogelijke ruimte te vormen, waarin de vrucht tegen druk beveiligd is en zich ongestoord ontwikkelen kan.

Ue moederkoeK. /.ooais reeas wera opgemerKi, ontwikkelt de moederkoek zich uit de vlokken van het buitenste eivlies. Aangezien elke vlok reeds een ader heeft, ontwikkelt zich uit hare ruime vertakkingen een uitgebreid bloedvatenstelsel, dat samen met de groote ophooping van vlokken de moederkoek (placenta) vormt, de voedingsbron van het embryo. Deze wordt uitsluitend door moederlijk bloed gevoed, dat alle stoffen aanvoert, die voor den opbouw van het lichaam noodig zijn. Het moederlijke en het kinderlijke bloedvatenstelsel staan echter niet in rechtstreeksch verband tot elkander. In het van de baarmoeder afkomstige buitenste gedeelte van de moederkoek ontstaan talrijke groote bloedvaten, die zich tot holle ruimten verbreeden, waarin zich de vlokken met hare aderen uitstrekken (zie ook plaat 42). Op deze wijze worden de kinderlijke bloedvaten door het bloed der moeder omspoeld, zonder dat echter de beide bloedstroomen in elkander kunnen vineifin Donr deze instelling eraan alle voedinp-

Fig. 607. Ontwikkeling van de moederkoek (placenta) uit het vaatvlies. (Schematisch.) PI moederkoek. Ch vaatvlies. A lamsvlies. n navelstreng. IV vruchtwater. G baarmoeder.

stoffen van wege hunne oplosbaarheid op het kind over, terwijl zij tegen alle niet-vloeibare stoffen een stevigen dam vormt. De verbinding tusschen de moederkoek en de vrucht wordt door de navelstreng en de daarin uitloopende navelvaten bewerkstelligd (zie plaat 42).

De moederkoek is een vrijwel ronde, sponsachtige, roode schijf. Bij het einde der zwangerschap bedraagt de dikte gemiddeld 3 c. M., de doorsnede 20 c. M. en het gewicht ongeveer 500 gram. Zij is meestal aan den voor- of achterwand der baarmoeder bevestigd en is aan de naar het kind gerichte zijde met het gladde lamsvlies bedekt. Hier plant zich ook de navelstreng in, welker bloedvaten zich gelijk een boom op de moederkoek vertakken (zie fig.). De tegen de baarmoeder aangegroeide zijde heeft een kwabachtig voorkomen, teweeggebracht door diepe groeven, welke door deze zijde van de moederkoek heenloopen (zie fig.). . •

Sluiten