Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vader- en moederkogeltjes gevormd. Tot de allereenvoudigste planten en dieren toe, die zelfs zoo klein zijn, dat men ze met het bloote oog niet kan zien, die meestal in het water leven, die niets anders zijn dan zulk een klein eilichaampje, al deze wezens ontstaan uit zoo'n ei.

Het innigste is de verhouding tusschen moeder en kind bij de zoogdieren. Daar houden c'e moeders het bevruchte ei in het lichaam, waarin zich eene bijzondere inrichting, eene holte, bevindt, waarin de eieren niet alleen warm worden gehouden, doch nog voedende sappen om te groeien uit het lichaam der moeder ontvangen, totdat zij tot jongen, in staat om te leven, zijn opgegroeid, die dan door de moeder uit het lichaam worden geperst, worden geboren. De kleine konijntjes lagen, voordat zij geboren werden, tezamen in het warme moederlichaam en groeiden daarin. Als zij zoover zijn ontwikkeld, dat zij geboren kunnen worden, vangen zij aan te trappelen. Dan merkt de moeder, dat de kleinen er uit willen; zij trekt zich de haren van den buik, want de kleine dingen zijn nog te onbeholpen, naakt, en moeten nog beschut worden. Zoo bouwt zij, evenals de vogels, een nest van stroo, stoffeert het met haren en op een goeden dag ziet men, dat zij ijverig aan iets likt, dat onzichtbaar onder het stroo en den haardos verborgen is. Dan zijn de jongen juist ter wereld gekomen. Door eene opening, die het moederdier onderaan het lichaam heeft en die door een gang met de holte in den buik is verbonden, zijn de jongen er uit gekomen. Nauwelijks op de wereld, zoeken zij reeds ijverig met hun snuitje naar de zuigtepels, die de moeder aan het lichaam heeft, en waaruit zij de moedermelk drinken, die zich bij de moeders direct na de geboorte vormt. Vele zoogdieren, zooals geit en koe, hebben groote uiers aan het lichaam met lange zuigspenen. Wanneer zij goed gevoed worden, krijgen zij meer melk dan hunne jongen noodig hebben. Zoo heeft de mensch zich deze moedermelk der koeien en geiten voor eigen gebruik ten nutte gemaakt; de melk, die gij 's morgens zoo graag drinkt, was door de natuur eigenlijk voor een kalf bestemd of voor een geitenlam. Deze gebeurtenis, dat de jongen aan de moeders zuigen, is den menschen reeds vroeger opgevallen, zoodat zij alle dieren, die hunne jongen zoodanig verzorgen, met den naam van zoogdier bestempelen.

Ook de mensch is zulk een zoogdier. Het jonge menschenkind komt niet, zooals de vogel, als ei ter wereld, doch als een klein, gevormd menschje, met kleine vingertjes en voetjes. Voordat het ter wereld komt wordt het negen maanden gedragen, gevoed en verwarmd in het moederlijk lichaam. Dus veel langer dan een vogeljong in het ei zich onder de broedende moeder langzaam in de warmte ontwikkelt, groeit het kindje in de warme moederschoot op. Eerst is het zoo klein, gelijk bij het levens-

Sluiten