Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ziekenkamer. Zieken moeten in eene zoo ruim mogelijke kamer liggen, die 's morgens en 's middags zon heeft, door een of twee vensters voldoende gelucht kan worden en van het leven op straat of van de zaa.k zoo min mogelijk heeft te lijden. De inrichting der kamer moet vrij zijn van dingen, die veel stof vatten, zooals pluche meubelen, tapijten, muurbekleeding. Is men gedwongen een zieke in eene daarmede ingerichte kamer onder te brengen, dan moet al het overbodige eruit verwijderd worden, opdat het reinigen van de kamer niet stuift. De meubelen moeten glad zijn, opdat zij afgewischt kunnsn worden. Evenzoo moet de vloer iederen dag worden geboend, waarbij men niet op parketvloeren kan achtgeven. Droog afnemen moet zooveel mogelijk worden vermeden, daar de stof anders in de lucht blijft hangen.

Van het grootste gewicht is het luchten. In het warme jaargetijde blijft het venster het best voortdurend geopend, bij koeler temperatuur en 's winters moet minstens korten tijd meermalen dagelijks voor luchtvérversching worden gezorgd. Dit ges-chiedt door het venster der naastliggende kamer open te zetten, waarvan de verbindingsdeur met de ziekenkamer openstaat, of -— als dit niet gaat -— door het venster in de ziekenkamer zelf open te zetten, terwijl men den zieke door het opstellen van een bedscherm of door het bedekken met een laken tegen den verschen luchttoevoer beschut. Men mag nooit een verstikkende atmospheer of slechten reuk waarnemen.

De temperatuur in de ziekenkamer mag nooit te warm of te koud zijn. 's Zomers zorgt men voor afkoeling door den vloer meermalen te dweilen, door het plaatsen van tonnen en het sprenkelen met water, alsmede door het sluiten en bedekken der vensters tegen de zonnestralen. 's Winters moet de temperatuur zorgvuldig geregeld worden door een thermometer, die in een ziekenkamer nooit mag ontbreken. Het bovenmatig verwarmen moet worden vermeden — de hoogste temperatuur mag i6° Réaumur niet te boven gaan. Dikwijls is reeds 140 voldoende voor het welzijn van den zieke, wiens persoonlijke gevoeligheid hier toch den doorslag geeft.

De verlichting mag nooit hel en verblindend zijn, doch moet uit zacht licht bestaan, hetwelk de kamer verlicht zonder in de oogen van den zieke direct te schijnen. Voor lampen is een scherm aan te bevelen, dat voor dit doel het best geschikt is (z. Fig. 739). Lampen zonder ballon of kaarsen zijn voor verlichting eener ziekenkamer niet geschikt. Het aansteken en uitblazen der lamp moet buiten de kamer gedaan worden, om den daarmede verbonden onaangenamen reuk te vermijden, 's Nachts mag de ziekenkamer niet in volslagen duisternis gehuld zijn, opdat men bij een plotseling noodzakelijke hulp geen tijd met lichtaan-

Sluiten