Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MONDZIEKTEN.

INLEIDING.

Door het publiek, in deze met een achterstand van een vijf en twintig jaren de opinie der medici volgende, wordt een al te groote waarde gehecht aan „pijn in het mondje" en aan de „tandjes" als oorzaak van allerlei ziekteverschijnselen. Dit neemt evenwel niet weg, dat de aangeboren en verkregen aandoeningen van de mond herhaaldelijk aanleiding geven tot ernstige moeilijkheden bij de voeding, hetgeen in het bijzonder bij zuigelingen te verwachten is. Men kan dit gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, hoe het zuigen slechts mogelijk is, wanneer vele verschillende functies ongestoord kunnen plaats hebben. Bij het zuigen wordt door het kind een negatieve druk in de mondholte gemaakt. Is er een abnormale communicatie tusschen neus en mondholte (palatum fissum) of kan het kind de achterste neusopening niet volkomen afsluiten (palatum-verlamming), dan wordt daardoor het zuigen bemoeielijkt of onmogelijk. Bovendien wordt tijdens het drinken aan de borst, met de onderkaak dè tepel geknepen en leeggeperst, hetgeen volgens de tegenwoordige opvattingen zeker evenveel tot de ontlediging van de borst bijdraagt als het zuigen in engeren zin. Dat door de aanwezigheid van snijtanden in de onderkaak het zuigen pijnlijk kan zijn voor de moeder, wordt hierdoor begrijpelijk. Indien de zuigeling al heel jong tanden heeft (het komt aangeboren voor), dan stoort dit het voeden van den kant der moeder. Evenzoo zal de voeding bemoeilijkt worden, doordat het zuigen voor het kind pijnlijk is, zooals het geval is bij een stomatitis. Ernstige vormen dezer stomatitiden zijn gelukkig zeldzaam bij zuigelingen. Bij oudere kinderen komen ze veel vaker voor, en ook bij hen geven ze aanleiding tot alleronaangenaamste verschijnselen. Behalve de pijnlijkheid bij het eten en-drinken, die hier nog eerder opvalt, omdat het oudere kind ook moet kauwen en vast voedsel neemt, merkt men dat het kind sterk kwijlt. Het schijnt dat reflectorisch de speekselklier geprikkeld wordt tot sterkere afscheiding.

Men kan als vaststaand aannemen dat de verschijnselen, die

II. i

Sluiten