Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spier periodiek meer en minder sterk is. Ook dit verschijnsel is pathognomonisch, maar het is veel minder vaak duidelijk aanwezig dan de zichtbare peristaltiek.

Bij onderzoek van de maagfuncties wordt voor zoover wij weten meestal een hypersecretie van zoutzuur waargenomen, terwijl een vermeerderde slijmvorming aan den dag komt, wanneer er een maagcatarrh is ontstaan door slechte ontlediging van de maag.

De motiliteitsstoring komt aan het licht, zoodra men na het drinken van een gewone hoeveelheid moedermelk indien deze niet is uitgebraakt, de maag na 3 uur met de sonde leegmaakt, vooral wanneer men 's avonds dit onderzoek verricht. Ook kan men door een Röntgenonderzoek in vele gevallen retentie van voedsel aantoonen l), maar zal dit onderzoek voor de herkenning van de ziekte zelden noodig hebben. Tevens merkt men dan op2) dat de insnoeringen, die het gevolg zijn van de peristaltiek dieper zijn en zich tot dichter bij de cardia uitbreiden.

Het verloop van de aandoening is zeer eigenaardig. Nadat eenige weken lang de verschijnselen steeds erger zijn geworden, treedt geleidelijk eenige verbetering op, die ten slotte in algeheele genezing overgaat, als het kind niet aan inanitie is ten gronde gegaan. Slechts bij uitzondering wordt na aanvankelijke verbetering weer een recidief der verschijnselen waargenomen. Het spreekt vanzelf, dat op dit verloop de wijze van voeding groote invloed heeft, zooals uit de bespreking van de therapie kan blijken.

PATHOGENESE.

Er zijn bij de onzekerheid van de oorzaak dezer merkwaardige aandoening zeer veel hypotheses opgesteld over het ontstaan der afwijking.

In vroeger tijden werd er gevochten over de vraag, of de vernauwing van den pylorus altijd het gevolg was van een spasmus of soms als echte stenose moest worden opgevat. Men 3) heeft wel betoogd, dat nu eens een spasmus, dan een aangeboren stenose de oorzaak der verschijnselen was. Maar het blijkt uit tal van observaties, dat de echte stenose, waarbij dus ook het slijmvlies, als het na doorsnijding van de spierlaag ontplooid is, aan de vernauwing meedoet, niet of zoo ooit slechts hoogst zel-

') Arch. de méd. des enf. 1917 No. 1.

2) Leven ex Barret. Radioscopie gastrique 1909.

3) Pfaundler. Jalirb. f. Kinderhlk. Bd. XX, 1909. p. 253.

Sluiten