Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziekten ook in aanmerking een uitscheiding der pathogene microben op het darmslijmvlies. Zeer eenvoudig is de gang van zaken bij de infectieziekten als dysenterie en cholera, waar de pathogene microörganismen de darm als hoofdzetel van hun werkzaamheid en toxinevorming hebben uitgekozen. Mogelijk speelt een dergelijke enterale infectie, in de engere beteekenis van het woord, ook bij andere vormen van darmcatarrh een rol. Men heeft eenige reden om dit te veronderstellen bij de diarrhoe van heel slappe zuigelingen, in wier darminhoud men streptococcen, proteusbacillen of zelfs virulente paracolibacillen vindt.

Dat de oogenblikkelijke toestand van het kind zeer groote invloed heeft op de min of meer snelle ontwikkeling van een darmcatarrh, kan men dagelijks opmerken. Op oud ijs vriest het licht. Na doorstaan van een darmcatarrh blijft de kans op herhaling eenige tijd bestaan. Maar bovendien praedisponeert een chronische voedingsstoring bij een zuigeling of een algemeene slapte bij een ouder kind tot het optreden van een darmcatarrh. Ook schijnt het eene kind anders te reageeren op een schadelijke inwerking dan het andere, doordat het van aanleg een sterk of een zwak darmkanaal heeft. Wat daaronder verstaan moet worden, is slechts zelden duidelijk. Eenerzijds kan men zich daarbij voorstellen, dat ook de darm evenals andere organen minderwaardig van aanleg kan zijn en men wordt tot deze gedachte geleid door de waarneming van een zwak darmkanaal bij vele kinderen in één gezin. Anderzijds moet men ook overwegen, in hoeverre een insufficientie van andere organen, — waarbij de maag, en het pancreas hoofdzakelijk in aanmerking komen — de zwakte van het darmkanaal ten gevolge kan hebben. En ten slotte moet men zich nog de vraag voorleggen, of het wel de darmcatarrh zelf is, die zooveel gemakkelijker tot ontwikkeling komt, dan wel of het veeleer slechts het meest op den voorgrond tredende verschijnsel de diarrhoe is, dat bij het eene kind zooveel eerder verschijnt dan bij het andere. Men kan inderdaad herhaaldelijk waarnemen, dat het darmkanaal van sommige neuropathe kinderen — zelfs bij zuigelingen aan de borst — op zeer zwakke prikkels reageert met verhoogde peristaltiek, en men loopt gevaar deze diarrhoe telkens voor een darmcatarrh aan te zien. Van een deel der zoogenaamde chronische darmcatarrhen is de verklaring — blijkens het succes van een suggestieve therapie — geen andere dan dat de darm overprikkelbaar is.

Dat er nu ook nog een bepaalde diathese is, die tot darmcatarrh praedisponeert, lijkt mij aan twijfel onderhevig.

II.

G

Sluiten