Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

culose het eerst en de blaastuberculose later optreedt zoo weinig uitzonderingen, dat men hieruit al moet afleiden, dat de nier niet door ascendeerende infectie zal zijn besmet. Slechts laat men, al voelt men, dat de opklimmende tuberkelbacil tegen den urinestroom in, veel geluk zal moeten hebben om in de andere nier terecht te komen, deze mogelijkheid open om te verklaren, hoe de tweede nier besmet wordt.

De opvatting, dat deze niertuberculose langs de bloedbaan zou ontstaan, verondeistelt, dat elders in het lichaam tuberculeuze afwijkingen bestaan. Deze veronderstelling is in overeenstemming met het feit, dat bij al deze kinderen bronchiaal-lymphklier tuberculose wordt gevonden. Nu men tegenwoordig aanneemt, dat bloedinfecties ook bij tuberculose telkens voorkomen, heeft deze wijze van ontstaan niets, dat ons verwonderen moet.

Toch moet nog gewezen worden op een andere mogelijkheid, dat de nier langs lymphogenen weg zou zijn geïnfecteerd, en dat de tuberkelbacillen daarheen zouden zijn vervoerd langs de lymphbanen, die door het diaphragma dringen, en van uit de pleura komen.

Heeft eenmaal de tuberkelbacil vasten voet gekregen in het weefsel van de nier, dan is de geleidelijke terreinwinst, die hij verkrijgen zal, gemakkelijk te begrijpen, omdat de veranderingen die hij teweegbrengt om zich heen, geheel te vergelijken zijn met de verwoestingen, die hij in andere organen maakt.

Diagnose. Ten einde de discussie over de diagnose van een niertuberculose te bekorten, wordt verondersteld, dat men bij een kind. waarover men om de een of andere reden komt klagen, in de urine afwijkingen heeft gevonden: eiwit met chromocyten, of een enkele cylinder, of leucocyten.

Bij kinderen is dan de eerste stap, dat men nauwkeurig navraagt, of er in de omgeving van het kind geen tuberculoselijder gehuisd heeft. Het antwoord daarop stuurt de diagnose zelden in een verkeerde richting. Daarna zal men een tuberculinereactie doen, om aan een negatieve uitslag (bij herhaling) de waarde toe te kennen, die deze vooral bij jonge kinderen heeft nl. dat zij het bestaan van een tuberculose onwaarschijnlijk doet schijnen.

Indien men hierna een zeer eenvoudig bacteriologisch onderzoek van de urine verricht, door 1°. een Gram-praeparaat van de urine te kleuren — en 2°. op agar te kweeken, dan kan men daardoor het bestaan van een banale pyelitis uitsluiten, die bij kinderen zeer frequent is en bijna zonder uitzondering door colibacillen wordt veroorzaakt. Negatieve uitslag hiervan versterkt het vermoeden op tuberculose. Behoudens de locale nephritis door embolie — waarvoor men een endocarditis als reden moet

li. y

Sluiten