Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liggen, dan zal hij meestal in grootte toenemen door appositie van andere urinezouten. Tot allerlei min of mèer lastige verschijnselen, zooals de periodieke onmogelijkheid om te urineeren die door afsluiten van de urethraopening ontstaat, en de blaasbloedingen, die op het eind der mictie optreden, alsmede vage klachten over pijn bij de mictie (op het eind daarvan) en pollakiurie, geven deze blaassteenen dan aanleiding. Als ze groot zijn, kan men ze bij rectaal onderzoek dikwijls bimanueel palpeeren. Ook in de urethra kan een steen, die de blaas verlaten heeft, blijven steken, wat min of meer complete retentio urinae geeft, waarvan de oorzaak door palpatie meestal gemakkelijk is vast te stellen.

PATHOGENESE

- Voor het ontstaan van niersteenen bij kinderen is het verleidelijk, om — zooals dikwijls geschiedt — te herinneren aan een periode van het leven van vele kinderen, waarbij de urine zeer geconcentreerd geloosd wordt, en zeer veel urinezuur en uraten bevat. Het is met zekerheid bekend, dat dit een bijna physiologisch verschijnsel is bij pasgeborenen. Deze concentratie van urinezuur en uraten in de urine kan zoo hoog zijn, dat zij in de tubuli recti van de nierpapillen neerslaan, zoodat de uraatinfarcten *) ontstaan. Deze komen bij 45 % der pasgeborenen voor, en schijnen te moeten worden opgevat als neerslagen van ammoniumuraat op een eiwitcylinder als basis. De cylinders zelf zijn waarschijnlijk het gevolg van de afstooting van het epitheel der nierbuisjes, welke epitheelafstooting overal in het lichaam van den pasgeborene plaats vindt. Maar in ieder geval bestaat er bij de kinderen met urinezuurinfarct een zeer sterk verhoogde urinezuuruitscheiding vóór en tijdens het bestaan dezer afwijking.

Hierin zou nu de verklaring gelegen zijn van het ontstaan der niersteenen, doordat dan toevalligerwijs een klein groepje van dit neergeslagen ammoniumuraat blijft hangen in een nisje dat zich later door appositie kan vergrooten.

Deze opvatting stemt overeen met de vondst van een organisch skelet in de steenen, dat van het oorspronkelijk afgestooten epitheel zou afkomstig kunnen zijn.

Nu bestaan inderdaad de meerderheid der niersteenen, die men bij kinderen vindt uit uraten, terwijl een veel kleiner deel oxalaatsteenen zijn, en de phorsphaatsteenen in frequentie de middenplaats innemen. Als rariteit zijn te beschouwen carbonaatstee-

') cf. Czerny en Kellee, Th. I pag. 159.

Sluiten