Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in elk opzicht onregelmatig is. De pols is frequent in overeenstemming met de temperatuur. Wanneer men het kind in de eerste dagen onderzoekt vindt men misschien de keel wat rooder dan geoorloofd schijnt en valt onmiddellijk op, een eigenaardige bleekheid met een spoortje bolheid in het gezicht, zonder dat er ooit oedemen bestaan. Herhaaldelijk hoest het kind wat en is het ademgeluid wat ruw, of hoort men enkele bronchitische geruischen. De tong is beslagen en de milt soms vergroot. In het bloed bestaat een leucocytose, die meestal niet erg belangrijk is. Indien de ziekte erg heftig begint, kunnen bij een daartoe gepraedisponeerd kind gemakkelijk convulsies in de allereerste dagen of uren van de ziekte optreden. Zeer dikwijls ziet men als eerste verschijnsel ook braken. Maar van zeer veel grooter belang zijn — vooral bij zuigelingen — de verontrustende teekenen van een algemeene voedingsstoring, die zich in vrij korten tijd bij deze parenterale infectie (evenals bij elke andere) kunnen ontwikkelen. Het is daarbij in hooge mate afhankelijk van den algemeenen toestand van het kind, hoe heftig deze verschijnselen zullen uitvallen, en hoe ernstig het kind ziek zal worden. Bij een zeer jong kind zijn de gevaren van dezen kant veel grooter. Trouwens ook de heftigheid der infectie en de ernst der intoxicatie heeft invloed op het verloop der voedingsstoring. Als verschijnselen daarvan treft men aan de anorexie, het braken, dat juist bij deze infectie zeer hardnekkig kan zijn, de diarrhoe en de gewichtsdaling. Dat inderdaad een voedingsstoring zich heeft ontwikkeld, volgt uit de waarneming van het verschijnsel, dat een kind veel eerder een alim'entaire voedingsstoring krijgt door een kleine voedingsfout, dan vóór de infectie.

Het urine onderzoek bij deze kinderen brengt gemakkelijk de ziekte aan het licht. Men vindt de urine lichttroebel, welke troebeling voor een deel veroorzaakt wordt door leucocyten, voor een ander deel door bacteriën. (Een troebeling, die door verwarming oplost, en van uraten afhangt, kan tegelijkertijd bestaan). In een ongekleurd praeparaat van de urine, of van het urinesediment (als de troebeling gering is) vindt men zeer vele meest polynucleaire leucocyten en tal van bacillen van verschillende lengte (zelden coccen). Door azijnzuurtoevoeging (5 %) worden de kernen der leucocyten duidelijker zichtbaar. Door een weinig van het sediment op een objectglas te brengen en te kleuren volgens Gram ziet men tusschen de leucocyten, soms erin, Gramnegatieve kortere en langere bacillen. Wanneer men met zekerheid de diagnose bacteriologisch wil stellen, dan moet men deze uit de met een katheter steriel opgevangen urine cultiveeren en de

Sluiten