Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. etterige hepatitis.

c. chronische cirrbosen.

1. Alcoholische cirrhose.

2. Cirrhose cardiaque.

3. Cirrhose cardiotuberculeuse.

4. Cirrhose van Hanot.

5. Cirrhose door galstuwing.

d. Leversyphilis.

III. Locale leverziekten.

a. Absces.

b. Echinococcus.

c. Tumoren.

IV. Ziekten der gal weg en.

a. congenitale obliteratie.

b. stenose der galwegen door tumoren, vermes, enz.

c. angiocholitis.

ICTERUS NEONATORUM.

Een groot deel der pasgeborenen krijgt op den 2en of 3en dag een icterus, die meestal na eenige dagen of een week weer is verdwenen, maar die soms veel langer blijft bestaan.

Deze icterus geeft hoogstens aanleiding tot eenige slaperigheid, maar nooit tot heftige intoxicatieverschijnselen. Gevallen van maligne icterus bij pasgeborenen moeten anders worden opgevat.

Het heeft steeds de aandacht getrokken, dat de urine geen galkleurstoffen in opgelosten toestand bevat, zoodat de reactie van Gmelin negatief uitvalt en dat de ontlasting normaal gekleurd is.

PATHOGENESE.

Men heeft door de jongste onderzoekingen over het gehalte aan bilirubine van het bloedserum geleerd, dat deze vorm van icterus gepaard gaat met een verhoogd bilirubinegehalte van het bloedserum, terwijl de uitscheiding met faeces en urine niet vermeerderd is. (Ylfpo) '). Dit geeft steun aan de opvatting, dat de icterus neonatorum in geen geval als een haemolytische icterus is op te vatten, die door afkoeling (Leuret 2) zou ontstaan. Hiertegen pleitte ook reeds, dat er geen fragilité globulaire, geen korrelchromoc3Tten, geen iso- of autolysinen zijn gevonden bij deze ziekte (Gorter en Hannema 3).

Moeilijker is evenwel te zeggen, hoe deze vondst van een

') Zeitschr. f. Kinderhlk. 1913. Bd. 9, p. 208.

2) Arch. de méd. der enf. 1905, p. 129.

3) Ned. Maands. y. Verlosk. en voor Kindergenk. 1913, II. p. 583.

Sluiten