Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koemelktoediening veroorzaken. Veel interessanter nog zijn de uitvoerige experimenteele onderzoekingen van EDgelsche zijde. Allereerst wordt door hen een calciumdeficit bij de parathyreoprivé tetanie, zoo het al regelmatig bestaat, onvoldoende geacht ter verklaring van het ontstaan van deze vorm van tetanie. Zij hebben gemeend, dat de parathyreoprive intoxicatie berustte op een vergiftiging met guanidine en methylguanidine 1).

7NH2

Het eerste heeft de formule HN = C , dus ureum

NH2

waarin de O is vervangen door imid NH. Als argumenten daarvoor voeren zij het volgende aan. Men kan bij dieren door ze in te spuiten met guanidine soortgelijke convulsies en andere nerveuze verschijnselen ook de typische electrische reacties verkrijgen als door paratbyroïdectomie (Paton en Findlay) j).

In de urine van parathyreoprive honden en van kinderen met tetanie vindt men veel te veel guanidine en methylguanidine (Burns en Sharpe *). Wanneer men een kikvorschspier ophangt in een guanidineoplossing gaat deze trillingen vertoonen, die ook maar niet altijd — optreden als men de guanidineoplossing vervangt door serum van parathyreoprive honden (Burns) 1). Wanneer men de invloed van een parathyreoïdectomie op de stofwisseling vergelijkt met die van een guanidine injectie, dan is er groote overeenkomst (Bukns 1), WatanAbe 2). Het is voorbarig om uit al deze nieuwe feiten een bepaalde conclusie te trekken, maar ze toonen wel aan, dat de vergiftigingshypothese weer aan waarschijnlijkheid wint.

Over de herkomst der vergiften kan een ander onderzoek nog eenig licht geven. Uhlenhuth 3) vond, dat men larven van salamanders, die nog niet in het bezit zijn van een glandula parathyreoïdea, tetanie kan bezorgen door ze te voeden met thymusklier. Zoodra de metamorphose voltooid is en daarmede ook de epitheellichaampjes tot ontwikkeling zijn gekomen, houdt de tetanie op. Misschien is dus de oorsprong der vergiften in de thymus te zoeken, en dient de gl. parathyreoïdea ervoor om deze vergiften onschadelijk te maken. Ik wijs er evenwel op, dat deze hypothese van Uhlenhüth geheel in tegenspraak is met het feit (Klose), dat thymusexstirpatie een latente tetanie veroorzaakt.

Langs den weg van deze experimenten is men dus nog niet tot een definitieve beslissing gekomen. Vaststaat, dat de tetanie

') Quart. Journ. of experim Physiol. 1917. X, p. 233—382. Door W. C. Koen (Journal of biolog. chemistry, Bd. XII, 1912 en Bd. XV, 1913) was deze stof reeds ;n groote hoeveelheid in de urine van parathyreoprive honden gevonden.

2) Journ. of biol. chemistry, XXXIV, p. 51, 1918.

3) Proc. of the nat. acad, of sciences of the Unit. States of America, III, p. 157, 1917.

Sluiten