Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stellen. Men bedenke, dat deze in den regel bij kinderen hooger ligt (4e intercostaalruimte of 5e rib) en buiten de mamillairlijn. Indien men de ictus niet duidelijk voelt, laat men het kind voorover zitten en zoekt nogmaals. Bovendien zal men trachten door de vlakke hand of de vingertoppen losjes op de thorax te leggen een frémissement vast te stellen. Voelt men dit, dan moet men door vergelijken met de ictus uitmaken, of dit frémissement in de systole of in de diastole optreedt.

De percussie van de liartdofheid is voor den beginner zeer moeilijk. Men kan daarbij op tweeërlei wijze te werk gaan. Met buitengewoon zachte percussie, waarbij men ook met de vinger, die op de thorax ligt, niet hard mag indrukken, tracht men te bepalen, welk deel van het hart vrij ligt en niet door longweefsel bedekt is. Hoe zacht men wel moet percuteeren, is voor ieder duidelijk die zich herinnert, hoe dun het laagje longweefsel is, dat het hart bedekt, en hoe ver de zachtste percussiestoot wel doordringt in de diepte. Men percuteert hierbij concentrisch naar de te verwachten hartdofheid toe en zet de grensstreep, zoodra men een absolute demping hoort. Aldus bepaalt men de absolute hartclofheid, terwijl men eigenlijk niet het hart, maar de long op deze plaats percuteert.

Wanneer men nog steeds zacht, maar toch iets minder zacht percuteert, dan kan men de totale hartdofheid door soortgelijke concentrische percussie bepalen, maar men moet dan de grensstreep zetten, zoodra de volkomen heldere, sonore longtoon eenigszins gedempt begint te klinken.

Deze laatste methode wordt het meest toegepast. Hartoppervlak volgens Wanneer men haar bezigt, dan kan men volgens Potain.

Potain het oppervlak van de hartdempingsfiguur be- -7—

palen door de volgende formule:

hoogte (a) X breedte (/>) X 0,83

waarin 0,83 een empirisch gevonden factor is (zie schema).

Als basis voor vergelijking kan men dan de volgende gemiddelde cijfers onthouden:

6 jaar .... 40 cM.a 12 n .... 52 „ 17 „ .... 78 „ i)

die door Nobécourt evenwel te laag worden genoemd.

Bij de auscultatie let men allereerst op het karakter der liarttonen. Vooral de eerste toon is bij zwakke debiele zuigelingen

i) Nobécourt, 1. c. p. 13.

Sluiten