Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plek in het hart ziek maakt, en dat door veranderingen in druk en stroom de secundaire afwijkingen optreden. Niet ajtijd is dit laatste noodzakelijk, want een localisatie van de endocarditis op de randen van de opening in het septum, kan wel maken, dat dit open blijft, maar behoeft geen secundaire gevolgen te hebben.

Het is verleidelijk om te veronderstellen, dat de meeste vitia congenita cordis aan een endocarditis foetalis hun ontstaan danken. De anatomische veranderingen, die-men in het hart van deze patiëntjes vindt, zijn evenwel niet duidelijk genoeg, om ons te overtuigen, dat deze opvatting ook de juiste is. Daarnaast moet men ook aannemen, dat een aangeboren hartgebrek kan ontstaan als misvorming door groeistoring.

Dat dit zoo is, kan men niet besluiten uit het familiair voorkomen van aangeboren hartgebreken, want dit verschijnsel is even goed of beter te verklaren door aan te nemen, dat eenzelfde ziekte (syphilis bijv.) achtereenvolgens meerdere kinderen aantast. Wel mag men uit het gelijktijdig voorkomen van aangeboren misvormingen en hartgebreken tot bovenstaande conclusie komen. Ik wijs in dit verband op de groote frequentie der aangeboren hartgebreken bij mongolismus. Het mechanisme dezer misvormingen blijft dan nog zeer raadselachtig, al herinnert men zich de ontwikkeling van het hart. Want de meeste congenitale hartgebreken zijn misvormingen, die in zekeren zin te vergelijken zijn met een hazelip en derg. Het zijn gevolgen van een blijven stilstaan van het hart op een zeker stadium van de ontwikkeling. Gemakkelijk zijn tot deze groeistoring terug te brengen, het openblijven der septa of van den ductus Botalli. Moeilijker te begrijpen zijn de transpositie der vaten en vooral de stenose van de Art. pulmonalis. Hier moge nog herinnerd worden aan de opvatting van Apert, dat een vitium cordis congenitum, zooals dit samen voor kan komen met lepelvormige indrukkingen van de zijvlakten van de thorax, zijn ontstaan dankt aan een te nauw amnion.

PATHOGENESE.

Dat er bij het openblijven van een septum ventriculorum of een ductus Botalli geruischen ontstaan, is gemakkelijk begrijpelijk, omdat er bij elke samentrekking van het hart plotseling met kracht bloed gedreven wordt door een vrij nauwe opening. Dat de geruischen vaak ontbreken, is meer te verwonderen. Bij het open foramen ovale schijnt de kracht van de contractie van het atrium onvoldoende te zijn om de stroom zoo te versnellen, dat er een geruisch ontstaat. Soms is de afwezigheid van een

16

Sluiten