Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het hart zijn gewone grootte heeft teruggekregen of behouden en dat de pols weer normaal van rhy tme, frequentie en grootte is geworden.

Nauwkeurig onderzoek naar de teekenen van eenig restant (zie later) is gewenscht. Maar bovenal is het noodzakelijk, om zich scherp af te vragen: 1°. Is de ziekte gansch en al genezen? 2°. Ts het hart althans op het oogenblik in zijn functie volkomen normaal? Terwijl ik voor de beoordeeling van deze laatste vraag, naar de insufficientia cordis verwijs, wil ik hier nog even uiteenzetten, hoe men beoordeelt of er nog teekenen van ziek zijn, overblijven. Ben enkel onderzoek, zelfs een kortdurende nauwkeurige observatie zijn daartoe onvoldoende. Men moet telkens en telkens weer het kind onderzoeken en controleeren. Want lang niet zelden komen de gevallen voor, dat periodiek de verschijnselen van een endocarditis weer opleven. Dit kan weieens beginnen met pijn in de keel, en dan is het mogelijk, dat zich een nieuwe infectie heeft voorgedaan, en dat de microben die daarbij in circulatie komen, onmiddelijk de locus minoris resistentiae opzoeken en zich daar weten te handhaven. Maar vaak is waarschijnlijk het opleven der bacteriën, die in het endocard zijn blijven hangen, de oorzaak der rechutes. Men mag dit waarschijnlijk achten, omdat ook werkelijk chronisch verloopende vormen van endocarditis voorkomen, (zie endocartis en t. a. p.: Dl. I, blz. 123).

De verschijnselen zelve, waaruit men het bestaan eener infectie kan afleiden zijn de vage symptomen eener gestoorde gezondheid met slecht uitzien, weinig eetlust, hangerigheid en prikkelbaarheid, af en toe lichte temperatuursverheffingen, pijnlijke gewrichten of peesscheeden en ook een leucocytose, albuminurie of miltvergrooting. Het spreekt vanzelf, dat een endocarditis, waarbij voortdurend deze lichte infectie blijft voortbestaan of waarbij deze telkens terugkeert zeer veel slechter prognose heeft dan elke andere vorm

THERAPIE.

Het is reeds opgemerkt, dat de behandeling van de hartaandoeningen bij acute infectieziekten zeer weinig succes heeft. Want de salicylaten hebben bij de hartaandoeningen, die na gewrichtsrheumatiek optreden zoo weinig succes, en kunnen het ontstaan daarvan zoo weinig voorkomen, dat men ze zelfs — op geheel onvoldoende gronden — van homoeopathische zijde heeft kunnen beschuldigen de oorzaak der hartgebreken te zijn! En ook de specifieke therapie met vaccins en sera bij andere infecties heeft nog niet veel succes opgeleverd.

Sluiten