Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

singen van 0,56—0,70 %. Ook de totale haemolyse treedt gemakkelijker op.

Naast gevallen als de bovenbedoelde, waarin men een eigenschap der chromocyten aangetoond heeft, die abnormaal was, heeft men ook patiëntjes gezien, bij wie het serum de eigenschap had in vitro de eigen chromocyten op te lossen (autolysinen) en andere, bij wie het serum niet de eigen, maar vreemde chromocyten van de mensch oploste (isolysinen).

Dit alles zijn evenwel zeldzame vondsten, die niet van belang schijnen te zijn voor de verklaring van het ontstaan der meeste anaemieën bij kinderen x).

ANDERE ORGANEN.

Van de gevolgen van de inwerking der schadelijkheden op andere organen dan de chromocyten met hunne moedercellen in het myeloïde weefsel, wil ik nog twee voorbeelden noemen, omdat deze vrijwel nooit ontbreken bij een anaemie, die bij zuigelingen optreedt.

Allereerst is het een groote uitzondering, dat bij de ernstige vormen van anaemie de overige celsoorten van het beenmerg buiten spel blijven. Zoo zijn de leucocyten en hunne moedercellen in het myeloïde weefsel altijd min-of meer bij de ziekte betrokken. Men kan — er is reeds op gewezen — bij de regeneratie van bloed dikwijls waarnemen, dat ook de leucocyten aan de nieuwvorming deelnemen en dat meer leucocyten en jonge vormen van leucocjTten (myelocyten) in circulatie komen. Maar ook kan het tegenovergestelde zich voordoen, dat bij een toestand van insufficientie van het myeloïde weefsel de leucocyten evenzeer uit het bloed verdwijnen als de chromocyten, zooals bij de aplastische anaemie.

Bij deze laatste vorm van anaemie blijkt overduidelijk de beteekenis van de derde celsoort: de bloedplaatjes, die aan de algemeene vermindering der cellen deelnemen: er is thrombopenie. Op rekening van dit laatste verschijnsel stelt men de bloedingen in huid en slijmvliezen, die onder deze omstandigheden worden waargenomen.

Als tweede voorbeeld van de inwerking van de schadelijkheid op andere organen noem ik de rachitis, die bijna nooit bij anaemische kinderen ontbreekt, al is er ook zelden sprake van overeenstemming tusschen den ernst der rachitische en der anaemische verschijnselen. Dat dit verband bestaat en bestaan moet, is vooral voor hen duidelijk, die de opvatting van Makfan deelt, dat de

•) Gorter, Ned. Natuur- cn Geneesk. Congres, 1'J16.

Sluiten